Verslag van de vergadering van 20 januari 2026 (2025/2026 nr. 14)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 13.49 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
Mevrouw Ramsodit i (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. In november 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat de richtlijn over toereikende minimumlonen rechtsgeldig is. Het Hof heeft expliciet vastgesteld dat de richtlijn wetgeving over de arbeidsvoorwaarden is. Met dit oordeel geeft het Hof duidelijkheid. De richtlijn is geen vrijblijvende coördinatie, maar bindend sociaal recht binnen EU-bevoegdheid, en dat heeft directe consequenties. Lidstaten zijn niet alleen gehouden de richtlijn formeel te implementeren, maar ook inhoudelijk toe te passen overeenkomstig de doelstelling van de richtlijn.
Een niet toereikend minimumloon raakt vele mensenrechten, zoals het recht op wonen, het recht op gezondheid en het recht op gelijke behandeling. De kraakheldere doelstelling van de richtlijn is het verbeteren van levensomstandigheden, het voorkomen en verminderen van loon- en sociale ongelijkheid en het bevorderen van een rechtvaardige, inclusieve en duurzame groei. Juist omdat het Hof heeft geoordeeld dat de richtlijn arbeidsvoorwaarden regelt, volgt daaruit dat de richtlijn over de toereikendheid van het minimumloon moet worden beoordeeld als een beschermingsinstrument. Daar waar de implementatie van de richtlijn het minimumloon of afwijking daarvan de bestaande ongelijkheid niet vermindert maar bestendigt, ontstaat een verzwaarde motiveringsplicht voor de lidstaat, ook voor Nederland. De verzwaarde motivering is geen beleidskeuze, maar een rechtstreeks gevolg van het oordeel van het Hof over de aard en de reikwijdte van de richtlijn.
Het minimumjeugdloon bestendigt ongelijkheid vanwege leeftijdsgebonden loonverschillen. Dit vereist dus een verzwaarde motiveringsplicht. Gelet op de uitspraak van het Hof is de eerste vraag aan de minister of de regering bij de implementatie toereikend heeft gemotiveerd dat het voortbestaan van het minimumjeugdloon ondanks zijn ongelijkheidsbevorderende karakter verenigbaar is met de doelstellingen van de richtlijn om loon- en sociale ongelijkheid te verminderen.
Hetzelfde vraagstuk van verenigbaarheid geldt gezien de uitspraak van het Hof ook voor de positie van arbeidsmigranten. De tweede vraag aan de minister is daarom of de regering toereikend heeft gemotiveerd waarom de implementatie van de richtlijn de arbeidsvoorwaarden voor arbeidsmigranten ongewijzigd laat en daarmee de structurele ongelijkheid voor deze werknemersgroep bestendigt, onder andere vanwege de inhouding van kosten voor onderdak op het loon door de werkgever.
De derde vraag aan de minister in dit verband is of zij vindt dat de regering gezien de uitspraak van het Hof in algemene zin volledig heeft voldaan aan de verzwaarde motiveringsplicht bij de implementatie van de richtlijn daar waar sprake is van het voortbestaan van ongelijkheid of onvoldoende rechtsbescherming. Op grond van de uitspraak van het Hof is de beoordeling van de toereikendheid van het minimumloon en de ongelijkheidsreductie geen eenmalige exercitie maar een periodiek en transparant proces. Dit vereist gerichte, actuele en concrete toetsing van de toereikendheid van het minimumloon en afwijking daarvan.
Dit brengt mij bij mijn vierde vraag: kan de minister gezien de uitspraak van het Hof aangeven welke aanvullende maatregelen de regering neemt voor een periodieke en transparante beoordeling van de toereikendheid van het minimumloon en bij afwijking daarvan? Dat is essentieel voor de vervolgstappen bij de implementatie van de richtlijn.
Voorzitter. Ik rond af. De nationale beoordelingsvrijheid ten aanzien van de toereikendheid van het minimumloon wordt begrensd door het doel en de werking van de richtlijn. Dit is door het Hof bevestigd. Dat betekent dat niet kan worden volstaan met algemene beleidsargumenten of verwijzingen naar bestaande systematiek als het gaat om een periodieke en transparante beoordeling van de toereikendheid van de minimumlonen. Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Wenst een van de andere leden in de vierde termijn nog het woord? Dat is niet het geval. Minister, bent u in de gelegenheid om direct te reageren op de vragen van de Kamer? Zes minuten, hoor ik. Dat is heel mooi. Dan schors ik de vergadering tot ongeveer 14.00 uur.