Behandeling Wet implementatie EU-richtlijn toereikende minimumlonen



Verslag van de vergadering van 20 januari 2026 (2025/2026 nr. 14)

Aanvang: 13.43 uur

Status: ongecorrigeerd

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Aan de orde is de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2041 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende toereikende minimumlonen in de Europese Unie (36545).

(Zie vergadering van 28 januari 2025.)


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de vierde termijn van het debat over het wetsvoorstel Wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2041 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende toereikende minimumlonen in de Europese Unie (Pb EU 2022, L 275), de Wet implementatie EU-richtlijn toereikende minimumlonen (36545).

Ik heet de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nogmaals van harte welkom in de Eerste Kamer voor de vierde termijn van de Kamer.

De beraadslaging wordt heropend.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Van Apeldoorn van de fractie van de SP.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Apeldoorn i (SP):

Dank, voorzitter. Een jaar geleden debatteerden wij hier over de Wet implementatie EU-richtlijn inzake toereikende minimumlonen. De stemming hierover werd toen uitgesteld omdat een meerderheid van deze Kamer eerst de uitspraak van het Hof van Justitie in een door Denemarken aangespannen procedure wilde afwachten. Die uitspraak ligt er nu en daarom heb ik een korte vierde termijn aangevraagd alvorens wij tot stemming overgaan.

De kernvraag voor mijn fractie is: wat betekent deze uitspraak van het Hof nu voor de juridische toelaatbaarheid van uitzonderingen op het minimumloon en in het bijzonder voor de rechtsgelijkheid tussen werknemers? Het Hof is helder. De richtlijn is rechtsgeldig en vormt geen verboden inmenging in de loonvorming. Het Hof heeft daarbij expliciet verduidelijkt waar de richtlijn wel toe verplicht. Voor mijn fractie is daarbij vooral artikel 6, lid 1 van de richtlijn van belang. Dat bepaalt dat variaties, afwijkingen van of inhoudingen op het wettelijk minimumloon voor specifieke groepen, slechts zijn toegestaan indien zij voldoen aan het non-discriminatiebeginsel en het evenredigheidsbeginsel, waarbij dat laatste het nastreven van een legitiem doel omvat. Het Hof heeft in de rechtsoverwegingen 102 tot en met 104 expliciet bevestigd dat artikel 6 volledig rechtsgeldig is.

De Unie mag niet de hoogte van het minimumloon vaststellen, maar wel werknemers beschermen tegen onrechtvaardige ongelijkheid, onderbetaling en structurele uitholling van het minimumloon. Rechtsgelijkheid en bescherming tegen discriminatie behoren daarmee tot de kern van deze richtlijn. Erkent de minister dat? Hoewel de minister stelt dat de uitspraak geen directe gevolgen heeft voor het implementatiewetsvoorstel, is mijn fractie van oordeel dat zij wel materiële juridische gevolgen heeft voor de uitleg en toepassing van de richtlijn, met name waar het gaat om uitzonderingen op het minimumloon. Artikel 6 is dus overeind gebleven, en niet alleen dat. Het Hof heeft ondubbelzinnig duidelijk gemaakt dat uitzonderingen op het reguliere minimumloon uitsluitend zijn toegestaan binnen deze juridische grenzen. Daarmee is dit geen vrijblijvende beleidsnorm, maar bindend Unierecht. Hier juist wringt naar oordeel van mijn fractie de voorliggende implementatie.

Allereerst het minimumjeugdloon. In Nederland verdient een groep meerderjarige werknemers, die mogen stemmen, contracten mogen sluiten en mogen trouwen, voor exact hetzelfde werk veel minder dan het reguliere minimumloon. Dat is dus geen marginale variatie, maar een zeer forse structurele afwijking van gelijke loonbescherming. Na het arrest is de vraag niet langer of lidstaten zulke afwijkingen mogen kennen, maar of zij kunnen aantonen dat die niet discriminatoir en onevenredig zijn. Welk legitiem doel rechtvaardigt hier een loonverschil van deze omvang, zo vraag ik de minister. Hoe is een leeftijdsonderscheid bij gelijk werk te verenigen met dit beginsel van gelijke beloning voor gelijk werk? Het is niet aan werknemers of vakbonden om discriminatie te bewijzen. Het is aan de regering om aannemelijk te maken dat hiervan geen sprake is en die juridische onderbouwing ontbreekt tot op heden, ondanks herhaalde vragen vanuit ook deze Kamer.

Hetzelfde geldt voor inhoudingen op het minimumloon voor huisvestingskosten, met name bij arbeidsmigranten. Daar hebben we het eerder over gehad met deze minister. Ook hier worden uitzonderingen slechts toegestaan binnen strikte grenzen. In de praktijk zien we echter inhoudingen die het loon structureel onder het minimum brengen zonder dat de prijs en de kwaliteit van de huisvesting daarmee in overeenstemming zijn. Daarmee wordt het minimumloon uitgehold en worden juist de meest kwetsbare werknemers structureel slechter beschermd. Dat is niet slechts een beleidskeuze die onlangs door deze minister is gemaakt, maar dat staat ook op gespannen voet met de rechtsstatelijke beginselen van het Unierecht die met deze richtlijn verankerd worden.

Voorzitter. Mijn fractie hoort daarom graag van de minister hoe zij in het licht van deze uitspraak meent dat zowel het minimumjeugdloon als de huidige inhoudingspraktijk nog steeds voldoen aan artikel 6 van de betreffende richtlijn.

Dank u, voorzitter.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Ramsodit van de fractie van GroenLinks-PvdA.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Ramsodit i (GroenLinks-PvdA):

Dank, voorzitter. In november 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat de richtlijn over toereikende minimumlonen rechtsgeldig is. Het Hof heeft expliciet vastgesteld dat de richtlijn wetgeving over de arbeidsvoorwaarden is. Met dit oordeel geeft het Hof duidelijkheid. De richtlijn is geen vrijblijvende coördinatie, maar bindend sociaal recht binnen EU-bevoegdheid, en dat heeft directe consequenties. Lidstaten zijn niet alleen gehouden de richtlijn formeel te implementeren, maar ook inhoudelijk toe te passen overeenkomstig de doelstelling van de richtlijn.

Een niet toereikend minimumloon raakt vele mensenrechten, zoals het recht op wonen, het recht op gezondheid en het recht op gelijke behandeling. De kraakheldere doelstelling van de richtlijn is het verbeteren van levensomstandigheden, het voorkomen en verminderen van loon- en sociale ongelijkheid en het bevorderen van een rechtvaardige, inclusieve en duurzame groei. Juist omdat het Hof heeft geoordeeld dat de richtlijn arbeidsvoorwaarden regelt, volgt daaruit dat de richtlijn over de toereikendheid van het minimumloon moet worden beoordeeld als een beschermingsinstrument. Daar waar de implementatie van de richtlijn het minimumloon of afwijking daarvan de bestaande ongelijkheid niet vermindert maar bestendigt, ontstaat een verzwaarde motiveringsplicht voor de lidstaat, ook voor Nederland. De verzwaarde motivering is geen beleidskeuze, maar een rechtstreeks gevolg van het oordeel van het Hof over de aard en de reikwijdte van de richtlijn.

Het minimumjeugdloon bestendigt ongelijkheid vanwege leeftijdsgebonden loonverschillen. Dit vereist dus een verzwaarde motiveringsplicht. Gelet op de uitspraak van het Hof is de eerste vraag aan de minister of de regering bij de implementatie toereikend heeft gemotiveerd dat het voortbestaan van het minimumjeugdloon ondanks zijn ongelijkheidsbevorderende karakter verenigbaar is met de doelstellingen van de richtlijn om loon- en sociale ongelijkheid te verminderen.

Hetzelfde vraagstuk van verenigbaarheid geldt gezien de uitspraak van het Hof ook voor de positie van arbeidsmigranten. De tweede vraag aan de minister is daarom of de regering toereikend heeft gemotiveerd waarom de implementatie van de richtlijn de arbeidsvoorwaarden voor arbeidsmigranten ongewijzigd laat en daarmee de structurele ongelijkheid voor deze werknemersgroep bestendigt, onder andere vanwege de inhouding van kosten voor onderdak op het loon door de werkgever.

De derde vraag aan de minister in dit verband is of zij vindt dat de regering gezien de uitspraak van het Hof in algemene zin volledig heeft voldaan aan de verzwaarde motiveringsplicht bij de implementatie van de richtlijn daar waar sprake is van het voortbestaan van ongelijkheid of onvoldoende rechtsbescherming. Op grond van de uitspraak van het Hof is de beoordeling van de toereikendheid van het minimumloon en de ongelijkheidsreductie geen eenmalige exercitie maar een periodiek en transparant proces. Dit vereist gerichte, actuele en concrete toetsing van de toereikendheid van het minimumloon en afwijking daarvan.

Dit brengt mij bij mijn vierde vraag: kan de minister gezien de uitspraak van het Hof aangeven welke aanvullende maatregelen de regering neemt voor een periodieke en transparante beoordeling van de toereikendheid van het minimumloon en bij afwijking daarvan? Dat is essentieel voor de vervolgstappen bij de implementatie van de richtlijn.

Voorzitter. Ik rond af. De nationale beoordelingsvrijheid ten aanzien van de toereikendheid van het minimumloon wordt begrensd door het doel en de werking van de richtlijn. Dit is door het Hof bevestigd. Dat betekent dat niet kan worden volstaan met algemene beleidsargumenten of verwijzingen naar bestaande systematiek als het gaat om een periodieke en transparante beoordeling van de toereikendheid van de minimumlonen. Dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Wenst een van de andere leden in de vierde termijn nog het woord? Dat is niet het geval. Minister, bent u in de gelegenheid om direct te reageren op de vragen van de Kamer? Zes minuten, hoor ik. Dat is heel mooi. Dan schors ik de vergadering tot ongeveer 14.00 uur.

De vergadering wordt van 13.53 uur tot 14.00 uur geschorst.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering voor het antwoord van de regering in vierde termijn. Ik geef het woord aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Minister Paul i:

Voorzitter, dank u wel. Fijn om weer in uw Kamer te zijn. Het is ook voor mij een nieuwe ervaring om een vierde termijn mee te maken. Dat is voor mij ook bijzonder.

Voorzitter. Voordat ik overga tot het beantwoorden van de vragen van de leden Van Apeldoorn en Ramsodit, zou ik graag kort een aantal algemene opmerkingen willen plaatsen over het wetsvoorstel waar we het hier over hebben. Uw Kamer heeft op 28 januari vorig jaar aangegeven de stemmingen over dit implementatievoorstel te willen aanhouden om de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie af te wachten. Inmiddels heeft het Hof op 11 november jongstleden zijn uitspraak gedaan. De heer Van Apeldoorn refereerde daar ook aan.

Zoals ik in mijn brief van 15 december aan uw Kamer heb aangegeven, heeft deze uitspraak geen directe gevolgen voor het implementatievoorstel. De uitspraak gaat namelijk over twee onderdelen die in Nederland al geldende praktijk of wetgeving zijn. In het implementatievoorstel is een bepaling opgenomen met criteria om het minimumloon te beoordelen. Door de uitspraak van het Hof is het niet meer verplicht om deze bepaling uit de richtlijn in nationale wetgeving vast te leggen. Het is echter staande praktijk dat deze criteria worden toegepast bij de vierjaarlijkse evaluatie van de hoogte van het minimumloon. Het vastleggen van de criteria in de wet heeft dus geen materiële gevolgen voor deze staande praktijk. Daarom hoeft het implementatiewetsvoorstel op dit punt niet te worden aangepast. Ook het oordeel van het Hof van Justitie dat automatische indexatie niet mag leiden tot verlaging van het minimumloon heeft geen gevolgen, want dit is in Nederland al in de wet geregeld.

De richtlijn dient zo spoedig mogelijk geïmplementeerd te worden. De implementatie had eigenlijk al op 15 november 2024 moeten plaatsvinden. De Europese Commissie heeft overigens gewacht tot de Hofuitspraak en heeft vooralsnog geen infractieprocedures gestart. Maar nu de uitspraak er is, roept de Commissie lidstaten op om zo snel mogelijk te implementeren, voor zover dat nog niet is gedaan. Inmiddels heeft het merendeel van de lidstaten dit al wel gedaan. Voor de goede orde — ik heb het even gecheckt — naast Nederland zijn alleen Luxemburg en Cyprus nog niet tot implementatie overgegaan. Tot zover mijn inleidende woorden.

Ik ga nu graag over tot het beantwoorden van de vragen. Beide leden hebben gevraagd of de regering bij de implementatie toereikend gemotiveerd heeft dat het minimumjeugdloon en de inhoudingen op het minimumloon verenigbaar zijn met de doelstelling van de richtlijn om loon en sociale ongelijkheid te verminderen. Wat inhoudingen betreft ga ik ervan uit dat gedoeld wordt op inhoudingen op het minimumloon voor huisvesting en de zorgverzekering. In de richtlijn staat dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat variaties en inhoudingen in het minimumloon in overeenstemming zijn met het non-discriminatiebeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Dat zijn geen nieuwe eisen. Deze algemene rechtsbeginselen zijn van toepassing op alle wetgeving in Nederland. Bij de invoering van het minimumjeugdloon en de inhoudingsmogelijkheid voor huisvesting en de zorgverzekering is hier ook aan getoetst. De regering heeft in de memorie van toelichting bij het voorliggende wetsvoorstel toegelicht dat het minimumjeugdloon en de inhoudingsmogelijkheid voor huisvesting en zorgverzekering aan deze rechtsbeginselen voldoen.

Wat het minimumjeugdloon betreft vroeg de heer Van Apeldoorn naar het legitieme doel. Volgens mij was de vraag of die variatie gestoeld is op een legitiem doel. Ten aanzien van het non-discriminatiebeginsel voor variaties in het minimumloon is het Europees kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep relevant. Uitgangspunt is dat verschillen in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie vormen indien deze objectief en redelijk worden gerechtvaardigd door een legitiem doel. De middelen voor het bereiken van dat doel moeten altijd passend en noodzakelijk zijn. Hoofddoel van het minimumloon is een maatschappelijk aanvaardbare tegenprestatie voor het verrichten van werk, maar het minimumjeugdloon heeft een ander doel. Het doel van het minimumjeugdloon is om jongeren te stimuleren een vervolgopleiding te volgen na het voortgezet onderwijs. We willen voorkomen dat jongeren voortijdig het onderwijs verlaten en al voltijds gaan werken. Bij het bepalen van de hoogte van het minimumjeugdloon is een balans gezocht tussen enerzijds het versterken van de inkomenspositie van werkzame jongeren en anderzijds de gevolgen voor de scholingsdeelname en de werkgelegenheid voor jongeren. Bij het opmaken van de balans speelt de actuele context uiteraard een rol. Het kabinet heeft daarom besloten bij de Voorjaarsnota 2025 het minimumjeugdloon voor de leeftijden van 16 tot en met 20 jaar per 1 januari 2027 te verhogen. Hiermee wordt de toereikendheid van het loon van jongeren verbeterd en worden jongeren ondersteund die afhankelijk zijn van het minimumjeugdloon, zodat zij rond kunnen komen.

De heer Van Apeldoorn i (SP):

Voordat de minister verdergaat: het gaat bij het minimumjeugdloon vooral ook om het non-discriminatiebeginsel. De minister zei dat die beginselen al golden. Dat is correct, maar in artikel 6 van de Richtlijn betreffende toereikende minimumlonen in de EU wordt nog eens bevestigd dat dat beginsel en ook het evenredigheidsbeginsel overeind staan en dus volledig rechtsgeldig zijn. Dat schept ook een plicht voor de lidstaten, dus ook voor deze regering, om uit te leggen dat afwijkingen of variaties van het minimumloon aan die beginselen voldoen. Bij het minimumjeugdloon gaat het volgens mij objectief om discriminatie, namelijk leeftijdsdiscriminatie. We zeggen: je kan meerderjarig zijn, volwassen, maar als je 18 bent, verdien je op dit moment nog steeds maar de helft van het loon dat je verdient als 21-jarige, ook al doe je exact hetzelfde werk en ook al heb je misschien ook dezelfde kosten van levensonderhoud. Nu zegt de minister: dat doen we omdat we daarmee jongeren stimuleren om ook na hun 18de een opleiding te volgen en daarom is het legitiem. Dan is toch de vraag of dat juridisch voldoende steekhoudt en of de onderbouwing van de regering wel voldoende sterk is. Uit allerlei onderzoeken blijkt namelijk dat het helemaal niet per se zo werkt als dat de regering beoogt; er zijn in ieder geval heel veel twijfels over. Je gaat dan heel ver in het afwijken van een minimumloon — je zegt namelijk: we geven maar de helft — voor een doel dat misschien op zich een mooi doel is, maar dat mogelijk helemaal niet bereikt wordt.

Minister Paul:

Ik snap heel goed — daarom staan we hier ook — dat je over dat punt van mening kunt verschillen en dat ook juristen hierover van mening verschillen. Maar het kabinet is ervan overtuigd dat het een legitiem doel is om te differentiëren, om te variëren, op dit punt. Je ziet namelijk het volgende. Een prikkel die het aantrekkelijker maakt om van school af te gaan en aan de slag te gaan, dient misschien op de korte termijn een financieel doel. Echter, de langetermijnperspectieven van jongeren op de arbeidsmarkt worden versterkt op het moment dat er een prikkel is om juist door te gaan met de opleiding na het basis- en middelbaaronderwijs. Het kabinet houdt dus overeind dat het doel om te variëren op dit punt legitiem is.

De heer Van Apeldoorn (SP):

De minister zegt zelf dat juristen het hier niet allemaal over eens zijn. Dan zijn er, denk ik, twee vragen. Eén. Is het een legitiem doel? Daar is dus al discussie over. Maar als het al een legitiem doel zou zijn, dan moet je het legitieme doel ook nog eens een keer bereiken; het moet ook effectief zijn. Dan moet je ook de afweging maken: hoeveel bereiken we hier nou eigenlijk mee wat betreft het dienen van dat doel? Daartegenover staat het feit dat je mensen die evenzogoed misschien dezelfde kosten hebben als het gaat om huur, boodschappen, et cetera, maar de helft van het minimumloon, dat in Nederland al niet super hoog is, betaalt.

Nogmaals, de feiten spreken daarbij niet in het voordeel van het kabinet. Er zijn namelijk onderzoeken gedaan waaruit blijkt dat dat minimumjeugdloon wat betreft dat legitieme doel helemaal niet het beoogde effect heeft in de mate waarin het kabinet dat beweert. Ik vraag toch nog een keer aan de minister of daarmee de praktijk in Nederland, maar ook hoe dit kabinet deze richtlijn implementeert, wel in overeenstemming is met artikel 6 van de richtlijn, namelijk dat die uitzonderingen alleen zijn toegestaan als er sprake is van het respecteren van het non-discriminatiebeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Als je daar wel van afwijkt, moet je dat uitleggen en moet je bewijzen dat het niet strijdig is met die beginselen.

Minister Paul:

Het kabinet is ervan overtuigd dat die in overeenstemming is. Anders hadden we een andere keuze gemaakt. Ik vrees dat ik de heer Van Apeldoorn daar verder niet van ga overtuigen, maar zo ziet het kabinet dit wel. Het variëren op basis van het doel dat wij als legitiem zien en wat ook erop gericht is … Ik ga niet herhalen wat ik net zei. Wij vinden dat een legitiem doel. Daarom hebben we het ook op die manier gemotiveerd en toegelicht in de memorie van toelichting. Als het mag, zou ik daar nog aan willen toevoegen dat ik het ermee eens ben dat het altijd zoeken is naar de juiste balans. Vandaar ook dat het kabinet, zoals ik ook aangaf, heeft besloten om het minimumjeugdloon per 1 januari 2027 te verhogen voor de leeftijden van 16 tot 20 jaar, om de inkomenspositie van deze groep jongeren te versterken.

De voorzitter:

Tot slot, de heer Van Apeldoorn.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Tot slot, voorzitter. In de politiek en in beleid gaat het altijd om balans en afwegingen. Dat snap ik. Maar er zijn ook juridische kaders. De regering kan haar eigen afweging maken. Wij zijn het dus niet eens over dat legitieme doel. Wij vinden dat het minimumloon voor alle volwassen werknemers hetzelfde moet zijn. Dat is een kwestie van rechtsgelijkheid, een gelijke behandeling, en een gelijke beloning voor gelijk werk. De minister zegt: het is een afweging, beleid et cetera. Maar het gaat hier ook om juridische kaders en juridische plichten. In hoeverre is de minister het met mij eens dat de manier waarop dit kabinet dit nu implementeert misschien ook juridisch kwetsbaar kan zijn, ook als je kijkt naar de uitspraak van het Hof en de bevestiging van artikel 6, waarin het gaat over rechtsgelijkheid en gelijke behandeling? De rechtsongelijkheid wordt nu in stand gehouden door dit kabinet, want we houden het minimumjeugdloon in stand, ook voor volwassen werknemers. Is dat niet ook juridisch kwetsbaar? Houdt de minister rekening met dat scenario?

Minister Paul:

Nee. Ik denk juist dat het prima past binnen de kaders die gesteld zijn in de richtlijn en in de uitspraak van het Hof. Wij hebben daar natuurlijk ook kennis van genomen en die zorgvuldig gewogen. Daarom sta ik hier met het wetsvoorstel zoals het voorligt.

Als de voorzitter dat goedvindt, ga ik ook nog heel even door … Nee, wacht. Ik ga door met een vraag die ook door beide leden werd gesteld: heeft het kabinet voldaan aan de motiveringsplicht bij de implementatie van de richtlijn, in het bijzonder ten aanzien van gelijke behandeling en rechtsbescherming? De heer Van Apeldoorn vroeg mij expliciet of ik het met hem eens was dat de kern van de richtlijn rechtsgelijkheid is. Ik deel die mening. Dat is inderdaad de kern van deze richtlijn. Als het gaat om gelijke behandeling, voegt de richtlijn namelijk geen nieuwe eisen toe. Wel benadrukt de richtlijn het belang van de bestaande kaders. Dit onderwerp speelt met name ten aanzien van variaties of inhoudingen op het minimumloon. De richtlijn stelt daarover dat het aan lidstaten is om dergelijke variaties of inhoudingen op het minimumloon toe te staan. De richtlijn benadrukt tegelijkertijd dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat eventuele variaties en inhoudingen in overeenstemming zijn met het non-discriminatie- en evenredigheidsbeginsel. Dit zijn reeds bestaande algemene rechtsbeginselen. Die zijn gecodificeerd in Europese regelgeving of volgen uit Europese jurisprudentie. Deze algemene rechtsbeginselen zijn dus al van toepassing op Nederlandse regelingen. De bestaande regelingen zijn daar dan ook op getoetst. Dat heeft de regering ook toegelicht in de memorie van toelichting bij het voorliggende wetsvoorstel.

Ten aanzien van de rechtsbescherming kent de richtlijn wel een nadere eis. De richtlijn schrijft voor dat er benadelingsbescherming moet zijn voor de situatie waarin er inbreuk wordt gemaakt op rechten op het gebied van bescherming door een minimumloon.

Mevrouw Ramsodit i (GroenLinks-PvdA):

Ik denk dat het goed is om gelijk op dit punt te reageren, omdat u straks verdergaat met uw betoog. Dat betreft het punt dat u zegt dat bestaande wetgeving is getoetst op het non-discriminatiebeginsel in generieke zin. Maar het punt is — dat is, denk ik, het punt dat de heer Van Apeldoorn en ik beiden namens onze fracties hebben gemaakt — dat het in de richtlijn gaat om aanvullende wetgeving ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden. Dat vergt dat je opnieuw kijkt naar de keuzes die je in je wetgeving gemaakt hebt. Dat kan niet beperkt zijn tot: ja, maar dat is zoals we het altijd gedaan hebben. Dat is een beetje wat ik nu bij u proef. Ik wil u eigenlijk nogmaals uitnodigen om toch nog even wat dieper in te gaan op die motiveringsplicht ten aanzien van het maken van onderscheid op basis van bestaande keuzes, terwijl die verschillen volgens deze richtlijn eigenlijk verkleind zouden moeten worden.

Minister Paul:

Laten we vooropstellen dat de richtlijn met name procedurele voorschriften naar voren brengt. Wat we vervolgens moeten doen en hebben gedaan, is kijken hoe wet- en regelgeving die er al is, past binnen die kaders. Op het moment dat je constateert dat wat we doen al past binnen die kaders, lijkt het me heel vreemd om dan nog allerlei nieuwe zaken uit de kast te halen. Je moet vooral ook toetsen of datgene wat wij hier in Nederland doen, voldoet aan de kaders die gesteld worden door de EU-richtlijn. Dat is wat de regering heeft gedaan.

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Als de kaders stellen dat het minimumloon voor eenieder toereikend moet zijn en dit voor bepaalde groepen niet het geval is, vergt dat een heroverweging. Dat proef ik eigenlijk niet bij u ten aanzien van de uitspraak van het Hof. Ik nodig u daar dus nogmaals toe uit.

Minister Paul:

Het kabinet is de mening toegedaan dat het minimumloon toereikend is. Daar zijn keuzes in gemaakt. Ik gaf zojuist ook aan dat we, waar we denken dat de inkomenspositie van bijvoorbeeld jongeren versterkt zou moeten worden, daar ook besluiten over hebben genomen. Dit gaat dus over de hoogte ervan. De richtlijn stelt ook heel duidelijk dat dat binnen het mandaat van de lidstaten blijft. Over het algemeen heb je daar vaak een politieke discussie over.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Ramsodit.

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Ik ben eigenlijk benieuwd naar uw visie vanuit deze regering op de toereikendheid van het jeugdminimumloon na de verbetering die u voorstelt. Als je de kaders van de richtlijn over de toereikendheid van het jeugdminimumloon ziet, bent u dan van mening dat het na de ingreep die u voorstelt per 2027 toereikend is?

Minister Paul:

We hebben vorig jaar bij de Voorjaarsnota een besluit genomen. Het is sowieso zaak om voortdurend de vinger aan de pols te houden en te kijken hoe de ontwikkelingen lopen. Uiteindelijk bepaal je de toereikendheid in de context die dan geldt. Op dit moment geldt het besluit dat we hebben genomen. Daarvoor is de internetconsultatie nu gestart. Dit gaat het hele proces doorlopen en zal per 2027 geïmplementeerd worden. Wij denken dat het toereikend is.

Voorzitter. Dan ga ik door met de vraag van mevrouw Ramsodit over welke aanvullende maatregelen we nemen voor de periodieke, transparante beoordeling van de toereikendheid van het minimumloon. Die vraag ligt een beetje in het verlengde van waar we het net over hadden bij de verdere stappen van de implementatie van de richtlijn. Ik gaf net al aan dat we voortdurend de vinger aan de pols houden. Mijn ministerie heeft doorlopend aandacht voor de toereikendheid van het minimumloon. Elk halfjaar indexeren we het minimumloon. Ik vermeld toch ook maar dat dat vaker gebeurt dan in de meeste EU-landen het geval is.

Daarnaast voert mijn ministerie elke vier jaar een grondige evaluatie uit van de hoogte van het minimumloon. In die evaluatie brengen we ook de toereikendheid van het minimumloon in beeld. Op basis van de evaluatie beoordeelt het kabinet of het minimumloon de juiste hoogte heeft. Dat doen we overigens niet in splendid isolation; ook de sociale partners zijn nauw betrokken bij dit proces. Dit doen we nu zo en dit blijven we zo doen. De richtlijn en het implementatievoorstel voegen de referentiewaarden toe aan dit proces. Die referentiewaarden zijn een niet-bindend richtsnoer voor het beoordelen van de toereikendheid van het minimumloon. De laatste evaluatie is begin 2024 met uw Kamer gedeeld. De volgende evaluatie vindt plaats in 2027 en zal uiteraard ook weer met uw Kamer gedeeld worden.

Tot zover, voorzitter.

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Ik heb nog een korte vraag over de periodieke, transparante monitoring zoals u die net hebt beschreven. Dit was eigenlijk mijn vraag en ik denk dat het goed is om daar een helder antwoord op te hebben. Als ik u goed begrijp, zijn er dus geen aanvullende maatregelen vanuit de regering naar aanleiding van deze richtlijn om periodiek, ook per werknemersgroep, beter te volgen of het minimumloon toereikend is, vanwege de procesvoorwaarden — u zei namelijk dat het een procedurerichtlijn is — die de EU heeft gesteld. Klopt dat? U doet verder dus niets aanvullends?

Minister Paul:

Dat klopt. Wij doen niets aanvullends omdat wij al voortdurend en periodiek de boel in de gaten houden. Ik gaf net al aan — dat was niet om ons te profileren als het beste jongetje van de klas — dat wij in Nederland elk halfjaar indexeren en voortdurend de vinger aan de pols houden. In heel veel landen gebeurt dat niet. Gezien de voortdurende vinger aan de pols, gekoppeld aan grondige evaluatie eens in de vier jaar, denk ik dat we dat gewoon goed geregeld hebben.

Tot zover, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

De Kamer heeft eerder vanmiddag besloten om aansluitend aan deze vierde termijn te stemmen over het wetsvoorstel en de al eerder ingediende moties. Ik zal nu bellen voor de stemmingen om de leden die elders in het gebouw aanwezig zijn in de gelegenheid te stellen om naar de plenaire zaal te komen en hieraan deel te nemen. Over enkele ogenblikken gaan wij dan stemmen. Dat zal over ongeveer vijf minuten zijn.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.