Verslag van de vergadering van 8 september 2026 (2025/2026 nr. 40)
Aanvang: 16.03 uur
Status: ongecorrigeerd
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
Voorzitter: Vos
Aan de orde is de behandeling van:
-
-het wetsvoorstel Wijziging van de Werkloosheidswet en enige andere wetten vanwege aanpassing van de Regeling dienstverlening aan huis (Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis) (36744).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Graag nog even uw aandacht voor het volgende. In verband met de herstelwerkzaamheden aan de techniek, waarover u eerder bent geïnformeerd, staan de interruptiemicrofoons in de plenaire zaal standaard aan. U hoeft dus niet op het knopje of het voetpedaal te drukken. U bent direct hoorbaar, maar het is wel van belang dat u pas spreekt als u het woord van de voorzitter — dat ben ik — heeft gekregen.
We gaan over naar het debat. Aan de orde is de behandeling van het wetsvoorstel 36744, Wijziging van de Werkloosheidswet en enige andere wetten vanwege aanpassing van de Regeling dienstverlening aan huis. Kort gezegd: de Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis. Ik heet de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van harte welkom in de Eerste Kamer.
De beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan mevrouw Ramsodit van de fractie van, nu nog, GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Ramsodit i (GroenLinks-PvdA):
Dank. Voor de transparantie over mijn nevenwerkzaamheden meld ik vooraf dat ik commissaris ben bij een zorgverzekeraar. Dit staat ook in het overzicht van mijn nevenfuncties op de website van de Eerste Kamer.
Laat ik beginnen met iets wat voor onze fractie buiten kijf staat: pgb-dienstverleners hebben recht op volwaardige arbeidsrechtelijke en socialezekerheidsbescherming. Dat is voor ons het vertrekpunt van dit debat.
Voorzitter. Voordat ik naar de inhoud ga, wil ik mij namens onze fractie uitspreken over het proces. Onze fractie heeft daar veel ongemak bij. De uitvoering van het wetsvoorstel is sinds 1 januari 2026 al gaande. Dat is inmiddels negen maanden geleden. Het terugdraaien daarvan zou grote gevolgen hebben voor de rechtszekerheid en de uitvoerbaarheid. De Eerste Kamer staat daardoor voor een voldongen feit. Dat staat haaks op onze constitutionele rol. De brieven die we hebben ontvangen over de geleerde lessen lijken zich nu te beperken tot het tijdiger informeren van het parlement, maar dat volstaat niet. Wij vragen de regering daarom om hier nadrukkelijker op te reflecteren, zodat dit niet weer gebeuren kan.
Dan de inhoud. Het is nodig te beseffen hoe we hier zijn gekomen. Niet de individuele zorgvrager heeft het stelsel bedacht en ook niet de pgb-dienstverlener. De regering heeft de Regeling dienstverlening aan huis ontworpen, juridisch vormgegeven en in stand gehouden. De regering is dus aan zet. Voor onze fractie ligt onder dit wetsvoorstel een fundamentele vraag over onze toets op uitvoerbaarheid. Is het huidige model, waarin de individuele pgb-budgethouder formeel werkgever is, nog wel toekomstbestendig? Ik begin met die vraag. Daarna ga ik in op de jurisprudentie, het doenvermogen, de systeemverantwoordelijkheid van de overheid en de overgang naar een structurelere herziening.
Voor onze fractie staat niet ter discussie dat het arbeidsrecht moet worden nageleefd en dat pgb-dienstverleners recht hebben op volwaardige bescherming. De SVB waarschuwt in de Stand van de Uitvoering 2026 dat de aansluiting tussen het pgb-stelsel en het arbeidsrecht een fundamenteel knelpunt is en dat de grenzen van de uitvoering zijn bereikt. Eigen regie betekent voor ons dat de budgethouder bepaalt wie de zorg verleent en invloed houdt op hoe en wanneer die zorg wordt georganiseerd. Dat is niet hetzelfde als het dragen van alle juridische, financiële en administratieve werkgeversrisico's. Daarom willen wij van de regering meer helderheid over de aangekondigde verkenning van de herziening van het stelsel. Mijn eerste vraag is: kan de minister toezeggen dat de verkenning op korte termijn wordt opgeleverd, dat er een variant wordt uitgewerkt waarin de budgethouder de regie over de zorg behoudt maar het werkgeverschap geheel of gedeeltelijk bij een professionele organisatie wordt belegd, en dat belangenorganisaties van zowel pgb-dienstverleners als pgb-budgethouders actief worden betrokken bij de uitwerking van die verkenning?
Voorzitter. Zolang die structurele herziening er nog niet is, moeten we beoordelen wat nu nodig is als het gaat om uitvoerbaarheid, rechtsgelijkheid en rechtszekerheid. Dat brengt mij bij de jurisprudentie. Aanleiding voor dit wetsvoorstel zijn de Wichmannarresten. De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat de pgb-dienstverleners niet van werknemersverzekeringen mogen worden uitgesloten en dat die uitsluiting, omdat die in de praktijk vooral vrouwen betrof, indirect onderscheid naar gender oplevert. Bij de behandeling in de Tweede Kamer is de voorgestelde wijziging van het ontslagrecht geamendeerd. De bestaande uitzondering voor pgb-dienstverleners blijft daardoor nu op dit punt bestaan. Juist tegen de achtergrond van de Wichmannarresten roept dat voor ons de vraag op over de juridische houdbaarheid. Mijn tweede vraag is daarom: kan de minister uiteenzetten hoe deze uitzondering in het ontslagrecht zich verhoudt tot het Europese gelijkebehandelingsrecht en waarom de regering van oordeel is dat dit juridisch houdbaar is? Is de minister bereid juridisch advies in te winnen en op basis daarvan het ontslagrecht op korte termijn wél van toepassing te verklaren?
Voorzitter. Dan kom ik bij het doenvermogen. Het antwoord van de regering op onze vraag over het doenvermogen heeft ons een beetje verwonderd. Er is geen afzonderlijke doenvermogentoets gedaan voor budgethouders als werkgever. De SVB kan veel administratie uit handen nemen, maar neemt de juridische en financiële verantwoordelijkheid niet over. Werkgeverschap gaat om meer dan administratie. Denk aan ziekte, re-integratie en de verantwoordelijkheden en financiële risico's die daarbij horen. Dat brengt mij bij mijn derde vraag. Erkent de minister dat het beheren van een pgb en het dragen van volledige werkgeversverantwoordelijkheid verschillende eisen aan het doenvermogen stellen? Is de regering bereid specifiek te monitoren of budgethouders deze beide verantwoordelijkheden in de praktijk kunnen dragen?
Daarbij komt nog een ander punt. Pgb-zorg wordt vaak verleend binnen een persoonlijke relatie. Dat kan gaan om familieleden, partners of anderen die al langer bij de budgethouder betrokken zijn. Dat maakt de juridische kwalificatie niet minder belangrijk, maar wel ingewikkeld. Uit de beantwoording blijkt dat de budgethouder in eerste instantie zelf moet beoordelen welke juridische verhouding geldt. Voor mensen die geen professionele werkgever zijn, is dat geen eenvoudige opgave.
Dat brengt mij bij mijn vierde vraag. Hoe zorgt de regering ervoor dat een budgethouder en een pgb-dienstverlener vooraf kunnen weten welke juridische positie geldt in een familie of andere duurzame relatie? En wie draagt het risico als achteraf blijkt dat die relatie anders moet worden gekwalificeerd? Van het doenvermogen ga ik nu naar de systeemverantwoordelijkheid. Omdat de huidige situatie voortkomt uit een door de overheid ingericht stelsel, kan de overheid zich niet beperken tot het verbeteren van de rechtspositie van de werknemer. Zij moet ook kijken naar wat die verandering betekent voor de budgethouder. Een wettelijke verplichting kan kraakhelder zijn, maar daarmee nog niet redelijk of uitvoerbaar voor degene aan wie wij die verplichtingen opleggen. De budgethouder is geen gewone werkgever, maar een individuele zorgvrager die binnen dit stelsel in de positie van werkgever terecht is gekomen. Werknemers hebben recht op volledige bescherming. Tegelijkertijd moet de verdeling van die verplichtingen proportioneel, uitvoerbaar en voorzienbaar zijn. Daar ligt de systeemverantwoordelijkheid van de overheid. De werknemersplichten zijn heel concreet en er kunnen in de toekomst nieuwe verplichtingen bij komen door wetgeving of rechtspraak. Ik denk aan de wet voor flexwerkers, aan de wetgeving over verlof en zelfstandigen, maar ik kan me ook rechtspraak over bijvoorbeeld het ontslagrecht voorstellen.
Dat brengt mij bij mijn vijfde vraag. Kan de minister komen met één vaste werkwijze, waarbij bij iedere nieuwe werkgeversverplichting voor pgb-houders eerst de gevolgen voor doenvermogen, kosten en zorgcontinuïteit in beeld worden gebracht, en pas daarna tot invoering wordt overgegaan?
Ik kom nog even terug op de systeemverantwoordelijkheid, want voor ons geldt die ook voor de uitvoering. Als de overheid daarvoor organisaties zoals de SVB en het UWV inzet, moet ook duidelijk zijn wie het risico draagt als dáár fouten worden gemaakt. We hebben eerder gevraagd naar de controles bij dagloonvaststelling. Die beoordeling heeft ons nog niet volledig gerustgesteld.
Ik kom nu bij de tijdelijke compensatie en de overgangsperiode. De tijdelijke compensatie, die in de Tweede Kamer is gerealiseerd, laat ik maar zeggen, loopt nu nog maar beperkt door, eigenlijk één jaar en drie maanden. Als het structurele probleem dan nog niet is opgelost, vinden wij het niet logisch om die compensatie dan al te beëindigen. Die compensatie moet wat ons betreft doorlopen totdat een structureel, juridisch houdbaar en uitvoerbaar werkgeversmodel daadwérkelijk is ingevoerd. Voor ons is het uitgangspunt eenvoudig: werknemersrechten blijven volledig gelden. De overgang gaat dus niet over het uitstellen van de rechten. De vraag is wie de werkgeversplichten en de financiële en juridische risico's draagt zolang het nieuwe model er nog niet is.
Daarbij is er ook een praktisch probleem. Het Rijk stelt middelen beschikbaar voor compensatie, maar gemeenten voegen die niet altijd toe aan het pgb-budget. Als dat zo is, dan kan de Sociale Verzekeringsbank die middelen ook niet inzetten. Een meldpunt alleen lost dat niet op. Het is inmiddels een urgente kwestie, begrijpen we uit de praktijk, onder andere van de stichting Vrouw en Recht en Per Saldo.
Ik kom zo bij mijn zesde vraag, mijn slotvraag, aan de minister. Wij verzoeken dat hij op drie punten een concrete toezegging doet. Ten eerste de tijdelijke compensatie. Kan de minister toezeggen dat de bestaande compensatie voor werkgevers- en socialezekerheidslasten doorloopt totdat een structureel, juridisch houdbaar en uitvoerbaar werkgeversmodel daadwerkelijk in werking is getreden, en dat zolang dat werkgeversmodel er nog niet is, ook tijdelijke compensatie wordt geregeld voor nieuwe of verzwaarde werkgeverslasten en werkgeversrisico's die niet redelijkerwijs door de individuele pgb-houder kunnen worden gedragen, bijvoorbeeld bij loondoorbetaling bij ziekte en andere werkgeversverplichtingen? Kan de minister toezeggen dat hij het knelpunt oplost dat de middelen die het Rijk voor compensatie beschikbaar stelt, niet altijd door gemeenten aan het pgb-budget worden toegevoegd? Dat is het eerste punt van de toezegging.
Het tweede punt van de toezegging gaat over de rechten van de pgb-dienstverleners. Kan de minister bevestigen dat de rechten van de pgb-dienstverleners als het gaat om hun arbeidsrechtelijke rechten en socialezekerheidsrechten volledig blijven gelden en dat de overgang dus niet ziet op het faseren van die rechten, maar uitsluitend op de wijze waarop daaruit vloeiende werkgeversplichten en financiële en juridische werkgeversrisico's worden gedragen?
Dan het derde punt, de structurele herziening. Kan de minister toezeggen dat de inzet van de regering is om binnen twee jaar een structureel, juridisch houdbaar en uitvoerbaar werkgeversmodel gereed te hebben? Kan hij de Kamer informeren over de wijze waarop die overgang wordt vormgegeven, welke stappen daarvoor nodig zijn en of aanvullende wetgeving nodig is? Ik haak daarop in omdat ik echt vind dat onze taak in de Eerste Kamer ook die uitvoerbaarheidstoets betreft.
Voorzitter. Daarmee is onze inzet helder: de werknemersrechten volledig waarborgen, de werkgeversplichten en -risico's in de overgang niet eenzijdig bij de individuele budgethouder neerleggen en met tempo werken aan een structureel werkgeversmodel.
Ik kom tot een afronding. Voor onze fractie staat vast dat pgb-dienstverleners recht hebben op volwaardige bescherming. Tegelijkertijd vinden wij dat het huidige werkgeversmodel niet toekomstbestendig is. Daarom verwachten wij van de regering duidelijkheid over de overgang en over de structurele herziening. Voor een zorgvuldige overgang, juist uit het oogpunt van proportionaliteit, uitvoerbaarheid en rechtszekerheid, is dit essentieel. Op basis van de reactie van de minister zullen we als fractie ons standpunt bepalen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Van Wijk van de fractie van de BBB.
Mevrouw Van Wijk i (BBB):
Dank, voorzitter. Alhoewel het politieke jaar formeel nog niet van start is gegaan, vindt vandaag in deze Kamer al wel een heel belangrijk debat plaats. Laat ik in deze inleiding maar gelijk tot de kern komen. Wij debatteren vandaag over de toekomstbestendigheid van het waardevolle pgb, waardoor mensen met een vraag naar zorg eigen regie op hun leven kunnen houden. Met de onderhavige wetsaanpassing wordt invulling gegeven aan de uitspraak van de CRvB, waarin de rechter oordeelde dat pgb-zorgverleners niet mogen worden uitgesloten van de verplichte verzekering van de Werkloosheidswet. Het uitsluiten van deze zorgverleners levert namelijk indirecte discriminatie op grond van geslacht op, omdat het merendeel van de zorgverleners vrouw is. Om dit te voorkomen, vervalt met dit wetsvoorstel niet alleen de uitzondering op de verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen, maar wordt pgb-zorgverleners ook de volledige arbeidsrechtelijke bescherming geboden die werknemers ontvangen buiten de Rdah, de Regeling dienstverlening aan huis. Met voorliggend wetsvoorstel wordt een einde gemaakt aan de uitzonderingen die onder deze Rdah worden geboden voor pgb-houders met een arbeidsovereenkomst van minder dan vier dagen per week.
Voorzitter. Ik ga in deze eerste termijn in op een aantal aspecten: pgb in zijn algemeenheid, het proces — de voorgaande spreker had het er ook al over — de arbeidsrechtelijke component en een heet hangijzer van dit wetsvoorstel, namelijk de uitvoerbaarheid.
Het pgb. We kennen het allemaal. Toch geef ik een kleine samenvatting van het pgb. Het pgb is in Nederland ingevoerd om mensen meer eigen regie over hun behoefte aan zorg te geven. In plaats van zorg in natura via een instelling, kunnen de pgb-houders zelf zorg inkopen. Het doel is evident: maatwerk en keuzevrijheid in de zorg. Eén plan, één pgb. De budgethouder krijgt een geldbedrag van de overheid, kiest zelf zorgverleners, maakt afspraken over zorg, stelt een budgetplan op en is de verantwoordelijk werkgever. De SVB betaalt de zorgverleners meestal uit het budget, met uitzondering van een budget onder de Zvw, waarbij de zorgverlener door de zorgverzekeraar wordt betaald. Toekenning gebeurt na indicatie. Een budgethouder is degene die het pgb ontvangt en de regie heeft over de eigen zorg. Dat kan ook de cliënt zelf zijn. Het pgb geeft veel vrijheid en keuze, maar vraagt ook organisatievaardigheden en verantwoordelijkheid van de gebruiker. Er zijn zeker nadelen van het pgb, zoals veel administratie, veel eigen verantwoordelijkheid en zelf personeel moeten regelen. Dit is nu al complex, zonder deze wetswijziging. Wij kennen pgb's met meer dan dertig zorgverleners. Dat is een soort klein ziekenhuisje.
Voorzitter. Het grootste nadeel van het pgb is misschien wel de fraude. In zijn oorsprong voorzag het pgb aan in behoefte: minder schakels. Hoe meer schakels, hoe meer kans op fraude er is. De BBB werpt de vraag op of het pgb nog wel past in deze tijd. Is het pgb enerzijds niet te complex geworden en is het anderzijds nog wel passend in een veranderde zorgtijd?
Het pgb is een instrument waarbij het doenvermogen van de budgethouder centraal staat. Het werkt inmiddels al ruim 30 jaar op deze wijze. Anders dan bij zorg in natura is de kern van pgb dat de budgethouder zelf verantwoordelijk is voor de zorg die hij inkoopt, zelf zorg inplant en zelf zorgverleners aanstuurt. Daarbij heeft elke budgethouder in bepaalde mate een zorg- of ondersteuningsbehoefte. Wat is het doenvermogen van de pgb-houder nu de SVB vergaande ondersteuning op vele fronten moet geven?
De zorgzame samenleving van ziekte naar gezondheid: deze transitie in de zorg vindt nu plaats.
Mevrouw Bakker-Klein i (CDA):
Ik dacht: ik wacht even, want u gaat misschien nog wat meer in op de fraude. Maar dat doet u niet. Ik wil het volgende toch even op tafel hebben. Als we kijken naar hoe het pgb de afgelopen jaren is ingevuld, zien we dat de fraude nooit aan de kant van de budgethouder zit. Er is soms sprake van oneigenlijk gebruik door zorgverleners of door partijen als bemiddelingsbureautjes et cetera. Als u dat bedoelt, dan denk ik: goed dat we daarnaar kijken. Maar fraude zit nooit aan de kant van budgethouders. Dat heeft dus ook alles te maken met dat er bij die indicatiestelling goed gekeken wordt waar het pgb voor nodig is. Daar zit het dus niet. Ik hoop dat u dat ook bedoelt en dat u dat ook wilt bevestigen.
Mevrouw Van Wijk (BBB):
Dank voor deze vraag. Uiteraard, als ik de indruk zou wekken dat de fraude bij de budgethouders ligt, dan is dat niet de bedoeling.
Mevrouw Bakker-Klein (CDA):
Oké, dank u wel.
Mevrouw Van Wijk (BBB):
Ik noemde ook een belangrijk nadeel van het pgb, namelijk het aantal schakels. Met iedere schakel die er meer is, is de kans op fraude groter. Dat is de bedoeling van het woord "fraude". Dank voor deze vraag.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Van Wijk (BBB):
Dat ga ik doen. Ik had het over de transitie in de zorg. Dit is de transitie in de zorg die nu plaatsvindt: van ziekte naar gezondheid. Enerzijds is dat om de zorg betaalbaar te houden, anderzijds om maatschappelijke waarden als noaberschap te herijken: omzien naar elkaar in plaats van dure zorg te vragen. Hoe wordt de pgb-houder uitgedaagd om meer preventief te handelen en minder zorg in te kopen? Dit staat wellicht haaks op de transitie in de zorg. Samen zorgen we voor elkaar. Van het goede uitgangspunt van het pgb "één plan, één pgb" is het pgb nu verworven tot een financieel en complex zorgconcept. Deze wetswijziging maakt het pgb nóg complexer. Het pgb is voor de pgb-budgethouder nauwelijks uitvoerbaar. Tussenkomst van bureautjes vermeerdert het aantal schakels.
Voorzitter. Wij hebben in de beantwoording van de eerste en tweede termijn van deze Kamer het volgende kunnen lezen. Ik citeer: "De regering is voornemens een gedegen analyse naar verschillende oplossingen ter hand te nemen. Het probleem van werkgeverschap reikt namelijk verder dan alleen dit wetsvoorstel." Toegezegd in de beantwoording is dat eind dit jaar de uitkomsten van deze analyse aan de Kamer gepresenteerd zullen worden. Wil de minister toezeggen in deze analyse ook een mogelijke herijking van het pgb mee te nemen, waarbij onderdelen als fraudegevoeligheid, de zeer complexe uitvoering en het maatschappelijke perspectief aan de orde komen?
Mevrouw Bakker-Klein (CDA):
Hoor ik mevrouw Van Wijk nu pleiten voor het afschaffen van het pgb?
Mevrouw Van Wijk (BBB):
Integendeel. Ik heb in mijn betoog tot nu toe uitdrukkelijk aangegeven hoe waardevol het pgb is in zijn pure vorm: één pgb, één plan, minder schakels, eigen regie, eigen verantwoordelijkheid van de budgethouder. Maar vandaag de dag is het pgb zo complex dat het nauwelijks meer uitvoerbaar is. Ook de BBB-fractie zoekt naar een weg om het pure pgb te handhaven, maar minder complex, zodat het uitvoerbaar blijft.
Mevrouw Bakker-Klein (CDA):
U pleit dus eigenlijk voor vereenvoudiging, maar wel het in stand houden van het pgb en alles wat u net noemde?
Mevrouw Van Wijk (BBB):
Ja, daarom ook onze zoektocht en de gevraagde toezegging om in de analyse mee te nemen hoe we de toekomstbestendigheid van het pgb kunnen waarborgen. Dat is de zoektocht. Dat is een hele lastige zoektocht, met alle wet- en regelgeving.
Mevrouw Ramsodit i (GroenLinks-PvdA):
Bevat de zoektocht waar u het over heeft en waar u behoefte aan heeft ook een herziening van het werkgeversmodel?
Mevrouw Van Wijk (BBB):
Daar kom ik nog op terug.
Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):
Prima.
Mevrouw Van Wijk (BBB):
Want ik denk dat mevrouw Ramsodit dan ook vraagt naar de Wet flexwerkers. Niet specifiek, hoor ik.
De voorzitter:
Desalniettemin kunt u toch …
Mevrouw Van Wijk (BBB):
Ik ga door. En misschien dat er dan nog een andere vraag komt.
Het proces, voorzitter. Ik denk dat dat vandaag elf keer aan de orde komt. Dat is de terugwerkende kracht van dit conceptwetsvoorstel. Ook in de Tweede Kamer werd gevraagd waarom deze wet met terugwerkende kracht in zou moeten gaan. Wat voor gewicht wordt dan nog toegekend aan de parlementaire behandeling? Uit de beantwoording bleek dat het parlement inderdaad min of meer buitenspel staat. Het is noodzakelijk, zo kunnen we lezen, om dit wetsvoorstel zo snel als mogelijk in te laten gaan — althans, dat was, en is, de mening van het kabinet — zonder consultatie van het parlement. Uit uitvoeringstoetsen werd duidelijk dat 1 januari 2026 de kortst mogelijke inwerkingtredingsdatum was. O ja, en de regering — ik citeer — staat ervoor open om eventuele aandachtspunten van de zijde van de Kamer mee te nemen en mogelijkerwijs een plek te geven in deze nieuwe wet. Dit is minachting van het parlement. Mogelijkerwijs kunnen aandachtspunten een plek krijgen in deze wet. Maar daarboven: wat is nu eigenlijk het spoedeisende element van de terugwerkende kracht van dit wetsvoorstel? Wat is nu dusdanig zwaarwegend dat het proces is gelopen zoals het is gelopen? De BBB-fractie heeft de brief van 18 juni jongstleden over dit aspect uiteraard doorgenomen. Maar wat zijn nu de lessons learned, zoals genoemd in deze brief? Wij hebben ze niet kunnen lezen. Graag een toelichting van de minister. Tegelijkertijd lezen wij in de beantwoording dat dit wetsvoorstel leidt tot een flinke aanpassing van de werkwijze voor de SVB. Daarom is men tijdig begonnen met het inregelen van de wijziging, zoals gebruikelijk is bij dergelijke grote ICT-wijzigingen. Ook zorgkantoren, gemeenten en zorgverzekeraars hebben maatregelen genomen, werkwijzen aangepast en budgethouders uitvoerig geïnformeerd. Hoezo een flinke aanpassing, vraagt de BBB-fractie zich af? Het was toch al een bestaande werkwijze voor de budgethouders die meer dan vier dagen hun zorg inkopen via het pgb?
Voorzitter. Wij vragen graag een uitleg van de minister op dit punt. Er zijn extra kosten voor de budgethouders, opleiding, doorbetaling bij ziekte, ontslagvergoeding et cetera, die deels voor rekening van de gemeente komen. Dat is een ander aspect van dit wetsvoorstel. Hiervoor is een bedrag van 1,8 miljoen gereserveerd, toegevoegd aan het gemeentefonds. Maar, zo lezen wij in de beantwoording, uiteindelijk blijven gemeenten zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wmo en de Jeugdwet en hebben zij zelf de ruimte om budgethouders op de meest passende manier financieel bij te staan voor de premieheffingen.
Voorzitter. Dit is onacceptabel. Gemeenten hebben heel veel moeite om begrotingen rond te krijgen. Essentiële vragen, zoals of de bibliotheek nog wel open kan blijven, moet de gemeente jaarlijks stellen. De financiële speelruimte van de gemeente is zeer beperkt. Het wetsvoorstel is door de Tweede Kamer geamendeerd op een evaluatie, amendement 27. Wil de minister toezeggen dat in deze evaluatie ook de toereikendheid wordt meegenomen van de extra gelden die in het gemeentefonds zijn opgenomen voor pgb-houders onder de Wmo en de Jeugdwet? In dit kader wil ik ook de Wet zekerheid flexwerkers noemen. De behandeling vond net voor het reces plaats. Dat de SVB deze wet als onuitvoerbaar heeft beoordeeld voor het pgb, laat zien dat de huidige arbeidsrechtelijke regels onvoldoende aansluiten bij de specifieke praktijk van de budgethouders. Het pgb is onder deze wet, de Wet zekerheid flexwerkers, uitgezonderd tot 2030. De BBB vraagt zich oprecht af of de vergaande regulering van de arbeidsmarkt gewenst is. Welk probleem wordt opgelost? Het resultaat is zeer complexe, soms conflicterende wetgeving, nauwelijks uitvoerbaar en gefragmenteerd. Wat is de visie van de minister op de regulering van de arbeidsmarkt? Hoe wordt het pgb in de visie van de minister hierin geplaatst? Of beter: hoe kan het pgb hierin ingepast worden?
Dan de keuze om de doelgroep Zvw-pgb-budgethouders te splitsen. Dit besluit heeft, zo erkent de voormalig staatssecretaris op dit dossier, forse bezwaren. Zo krijgt een deel van de zorgverleners meer rechten die een ander deel pas later krijgt, terwijl zij vanuit het perspectief van de Zorgverzekeringswet onder hetzelfde regime vallen. Circa 10.000 budgethouders die de salarisadministratie niet bij de SVB hebben ondergebracht en dus niet bekend zijn bij de SVB, gaan pas later onder deze wet vallen. Is er inmiddels een oplossing gevonden voor deze splitsing? Was dit gegeven, dus de uitzondering onder de Zvw, niet juist een zeer legitieme reden geweest om dit wetsvoorstel níét met terugwerkende kracht in te voeren, maar pas na zorgvuldig onderzoek te laten invoeren? Graag een reflectie van de minister.
Voorzitter. Ik kom op mijn derde punt: de arbeidsrechtelijke gezagsverhouding. De BBB-fractie deponeert een stelling. Je kunt het pgb niet uit het arbeidsrecht halen, maar wel het arbeidsrecht uit het pgb. De kern van het pgb is dat budgethouders zelf op eigen voorwaarden zorgverleners kunnen aanstellen. In voorkomende gevallen ontstaat hierbij tussen de budgethouder en de zorgverlener een arbeidsovereenkomst. Er zijn meerdere vormen van overeenkomsten mogelijk.
De SVB adviseert budgethouders bij de keuze voor een zorgovereenkomst. Het is de verantwoordelijkheid van de budgethouder om te bepalen welke van de vier zorgovereenkomsten die binnen het pgb mogelijk zijn, van toepassing verklaard worden. Bij bijvoorbeeld een eerstegraads of tweedegraads familieband is er meestal geen sprake van een gezagsverhouding en zal er een overeenkomst van opdracht afgesloten worden met de zorgverlener. In bepaalde situaties kan er echter wel sprake zijn van een gezagsverhouding, terwijl de zorgverlener ook familie is. Bij het afsluiten van de arbeidsovereenkomst kan in deze situatie de gezagsverhouding via de SVB bij de Belastingdienst getoetst worden. De SVB kan de Belastingdienst namens de pgb-houder om een beschikking verzekeringsplicht vragen om vast te stellen of er sprake is van een verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen in deze situatie.
Het is ontzettend gecompliceerd. Is het niet veel eenvoudiger, zo vraagt de BBB-fractie zich af, om voor de pgb-houder onder de Rdah voor minder dan vier dagen per week geen arbeidsovereenkomst meer toe te staan, ongeacht de gezagsverhouding? Deze groep zou dan kunnen kiezen voor een andere zorgovereenkomst. Als deze optie mogelijk zou zijn — wij weten het niet; het is daarom een optie — zou deze leiden tot een aanzienlijke vermindering van de complexiteit, terwijl die met dit wetsvoorstel in stand gehouden wordt. De BBB-fractie is oprecht benieuwd naar een reactie van de minister. Graag een reflectie.
Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):
Ik heb goed naar u geluisterd, vooral naar uw eerste zin. U vroeg zich af of we het arbeidsrecht uit het pgb kunnen halen. Bedoelt u daarmee dat u eigenlijk vindt dat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep overruled kan worden? Die uitspraak gaat over de rechten die mensen, de pgb-dienstverleners, hebben als het gaat om het arbeidsrecht en de rechtsbescherming die daarmee samenhangt.
Mevrouw Van Wijk (BBB):
Dat is niet onze mening. Wij zoeken als BBB-fractie, en ik hoop ook een breder deel van deze Kamer, naar een pragmatische uitvoerbaarheid van de verantwoordelijkheid van de pgb-houders. Die zoektocht is er, zonder dat de rechten ter discussie staan. Omdat er vier soorten zorgovereenkomsten zijn, zou het een optie kunnen zijn. Maar wij hebben de wijsheid niet in pacht, dus het is slechts een gedachtegang. Het zou een optie kunnen zijn om de arbeidsovereenkomst uit een van de vormen van het pgb te halen. Dat is onze zoektocht.
Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat de zoektocht naar "pragmatisch uitvoerbaar" wat onze fractie betreft begrensd is waar het gaat om werknemersrechten. Die zouden niet ter discussie moeten staan. Dat hoor ik u deels zeggen. Dank voor de verheldering.
Mevrouw Van Wijk (BBB):
Als het inzetten van deze optie als consequentie heeft dat werknemersrechten ter discussie komen te staan, dan moeten we een bepaalde afweging maken. Maar het is een bepaalde zoektocht.
Voorzitter. Dan het laatste onderdeel van de eerste termijn: de uitvoerbaarheid. Een belangrijk onderdeel van ons werk in dit huis is kritisch kijken naar de uitvoerbaarheid van een wet of wetswijziging. Ik citeer uit de eerste termijn van deze Kamer. Mevrouw Ramsodit had het hier ook al over: "De regering erkent dat dagloonvaststelling bij pgb-zorgverleners deels via handmatige processen moet plaatsvinden. Welke concrete controles worden ingericht om fouten tijdig te signaleren en te voorkomen? Wie is verantwoordelijk voor herstel?"
De SVB is in haar Stand van de Uitvoering 2026 zeer uitvoerig ingegaan op de grenzen van het pgb. Over de uitvoerbaarheid merkt de SVB het volgende op: "De SVB stelt vast dat door de opeenstapeling van complexe arbeidswetgeving de grenzen van de uitvoering van de pgb-regeling zijn bereikt." En: "Meer eenvoud in wet- en regelgeving voor budgethouders is daarbij wat de SVB van u als Kamer vraagt."
Voorzitter, afrondend. De BBB-fractie zet grote vraagtekens bij de uitvoerbaarheid van dit wetsvoorstel. In hoeverre kunnen wij als overheid nog van de budgethouders vragen om hun verantwoordelijkheid te blijven dragen op het vlak van uitvoerbaarheid, proportionaliteit en handhaafbaarheid?
Voorzitter. De BBB-fractie is uitermate kritisch over dit conceptwetsvoorstel. De beantwoording en invulling van de toezeggingen door de minister zijn van groot belang voor het stemadvies aan mijn fractie.
Dank u.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Schalk. Hij spreekt namens de SGP.
De heer Schalk i (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Op deze laatste vergaderdag van het parlementaire jaar wil ik graag beginnen met een indrukwekkend citaat. Dat luidt als volgt: "Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Regeling dienstverlening aan huis, die betrekking heeft op de rechtspositie van werknemers die doorgaans op minder dan vier dagen per week werken in het huishouden van een natuurlijk persoon, niet van toepassing te laten zijn bij aangewezen publiek gefinancierde dienstverlening;
Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze …"
Daarna volgen de voorgestelde wetswijzigingen.
Mevrouw de voorzitter. Het gaat mij in dit indrukwekkende citaat natuurlijk om de laatste zinsnede: "Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal …" We zitten dan midden in een staatsrechtelijk vraagstuk. Dat is bij uitstek een zaak voor de Eerste Kamer, lijkt mij. Het is immers evident dat een wet pas in werking kan en mag treden nadat het parlement daartoe alle stappen heeft doorlopen, en nadat vervolgens de Koning en de minister deze ondertekend hebben. Dat is niet alleen een zaak van goed fatsoen of van normale gezagsverhoudingen. Onze Grondwet maakt in artikel 47 ondubbelzinnig duidelijk dat alle wetten en koninklijke besluiten door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen worden ondertekend. Artikel 87: "Een voorstel wordt wet, zodra het door de Staten-Generaal is aangenomen en door de Koning bekrachtigd." Artikel 88 van onze Grondwet: "Een wet treedt niet in werking voordat deze is bekendgemaakt."
Wat schetst onze verbazing? Deze wet is al in werking getreden per 1 januari 2026. Is dit niet gewoon een miskenning van de rol en de positie van de Koning? Is dit afgestemd met de Koning, wiens handtekening geplaatst moet zijn onder een aangenomen wet? Wat de positie van de Eerste Kamer betreft vraag ik mij af hoe we hier als Kamer mee moeten omgaan en of we een wetsvoorstel waar niet grondwettelijk mee wordt gehandeld eigenlijk wel moeten behandelen.
Kortom, kan de minister aangeven hoe hij de positie van deze Kamer ziet en op welke wijze dit proces de staatsrechtelijke toets kan doorstaan? Concreet hebben we het nu dus over een wet die is ingegaan op 1 januari 2026, terwijl daar nu in september nog niet eens een wettelijke grondslag voor is.
Voor de extra kosten die budgethouders maken, is extra geld gereserveerd. Met het aanspreken daarvan wordt echter gewacht tot er een wettelijke grondslag is. Daardoor zitten budgethouders nu al in de knel. In principe wordt het parlement met de rug tegen de muur gezet. Wij moeten deze wet nu wel aannemen, lijkt het, omdat de budgethouders anders niet het extra geld krijgen dat voor de uitvoering van deze wet is gereserveerd. Stel dat deze wet het in deze Kamer niet haalt, wat is dan de opgelopen schade voor de betrokkenen? Ik vraag de minister: wordt daar compensatie voor geboden? Dit klemt te meer omdat in 2025 al onomkeerbare stappen zijn gezet met ICT-processen bij de desbetreffende diensten. Hoe kan dat, als het wetsvoorstel nog steeds niet is afgerond?
Inmiddels hebben we ook een brief van de minister gekregen, gedateerd 18 juni, die voor vandaag staat geagendeerd in de commissie voor SZW. Ik zal in die commissie geen inbreng leveren, maar ik heb wel een vraag over het meenemen van deze brief in dit debat. Het is namelijk een inhoudsloze brief. Het proces wordt een paar keer besproken. De geleerde lessen zijn flinterdun. Interdepartementale gesprekken hebben opgeleverd dat de Kamer goed moet worden meegenomen als het complex is. Het belang van de trialoog tussen het parlement, de ministeries en de uitvoeringsorganisaties wordt onderstreept. Maar daar gaat het hier helemaal niet over. Er is gewoon een wet in gang gezet waarvoor geen wettelijke grondslag is.
In de desbetreffende brief geeft de minister aan dat met de brief invulling is gegeven aan de motie van het Kamerlid Flach en de motie van de Kamerleden Wendel van de VVD en Neijenhuis van D66. Kan de minister aangeven of deze Kamerleden hun moties als voldaan hebben aangemerkt?
Nu nog naar de inhoud van het wetsvoorstel. Het lijkt er een beetje op dat dit typisch een geval is van wat door de Ombudsman wordt omschreven met de term "incidentenregelreflex" — een mooi woord. Er vindt een incident plaats en vervolgens moet alles wijken om zo spoedig mogelijk een regeling op te tuigen die het incident oplost. Maar de oplossing die gevonden is, levert heel wat nieuwe problemen op, vooral omdat de oplossing in dit geval geen recht doet aan de positie van mantelzorgers voor kwetsbare personen.
Stel dat een kwetsbaar kind met allerlei beperkingen een pgb heeft en de ouders in staat zijn om zelf de nodige mantelzorg te verlenen. Dan wordt dat kind in feite de werkgever van de ouder. Het kind moet dan werkgeversverzekeringen afsluiten en krijgt allerlei andere wettelijke werkgeverstaken. Ik wil zeker niet badinerend doen, maar er zijn nogal wat taken die in een dergelijke verhouding niet echt goed uitpakken. Denk aan situaties van ziekte van de werknemer die tevens ouder is. Denk aan voortgangs- of functioneringsgesprekken die gevoerd dienen te worden. Denk aan eventueel disfunctioneren van de ouder. En wat gebeurt er als de werkgever zich misdraagt ten opzichte van de werknemer?
Zeker, de Sociale Verzekeringsbank kan wat regelzaken waarnemen voor de pgb-houder, maar dat zal niet kosteloos gebeuren. Dat snoept dus weer geld uit het pgb. Zijn dit soort consequenties eigenlijk wel goed doordacht? Zijn er oplossingen gevonden die de normale verhoudingen binnen een gezin niet schaden?
Overigens zijn er natuurlijk ook andere verhoudingen dan die binnen het gezin. Dat kan gaan om familieverhoudingen, maar ook om verhoudingen met mantelzorgers die van buiten de kring van familieleden komen. Daarbij zijn er soms kleine taken die worden overgenomen door andere mantelzorgers. Als dat een taak is die slechts eens per week of eens per maand wordt uitgevoerd, is dan het optuigen van deze werkgeversrol nog proportioneel?
Mevrouw de voorzitter. Het Tweede Kamerlid Flach heeft in de Tweede Kamer een motie ingediend omtrent een verkenning inzake een vereenvoudiging en een verlicht regime voor budgethouders, waarbij het verlichten van de administratieve lasten en de arbeidsrechtelijke verplichtingen nadrukkelijk wordt meegewogen. Hoe kan, in het geval dat dit uitgevoerd wordt, worden voorkomen dat er vervolgens een nieuw gelijkebehandelingsprobleem ontstaat, met name als het gaat over het onderscheid tussen werknemers?
Er waren zorgen over het wegschrijven van werkgeverslasten door de SVB, waardoor de budgetten lager uitvallen. Vervolgens wordt dat probleem vanuit de budgethouder op het bordje van de zorgverlener gelegd. Daarbij komt dat de budgethouder als werkgever ook aansprakelijk is, bijvoorbeeld bij ziekte van de zorgverlener. Bij langere ziekteperiodes kan dat lastig zijn, zeker als de budgetten tussentijds worden aangepast. Ik vraag aan de minister: kan dat worden voorkomen?
De Sociale Verzekeringsbank heeft in zijn uitvoeringstoets opgenomen dat met de invoering van de wet budgethouders moeten voldoen aan meer werkgeverstaken. Dat brengt extra verplichtingen met zich mee. Zo worden de administratieve lasten verhoogd. Voor de bijkomende werkgeverstaken vraagt het budgetteren meer van de budgethouders nu er rekening gehouden dient te worden met de werkgeverslasten. Het blijkt dat de SVB de werkgeverslasten bij voorbaat aftrekt van de te verstrekken budgetten, zonder dat er voor deze extra werkgeverslasten aanvullend budget beschikbaar wordt gesteld. Als gevolg daarvan ontvangen budgetverstrekkers minder budget om uit te keren. Daarvan moeten ze ook nog hun uitvoeringslasten bekostigen. Als gevolg daarvan ontvangen de budgethouders netto minder budget dan voorheen. Deze bijkomende administratieve last heeft mogelijk impact op het doenvermogen van deze budgethouders. Op welke wijze gaat de regering dit probleem oplossen?
Mevrouw de voorzitter. De fractie van de SGP heeft dus behoorlijke twijfels bij dit wetsvoorstel. Dat is zowel staatsrechtelijk, als het gaat om het proces, alsook inhoudelijk, als het gaat om de werkgeversrol die massief bij budgethouders wordt neergelegd. Daardoor krijgen kwetsbare mensen een zware taak. Ik zie uit naar de reactie van de minister.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik zie dat er nog een vraag van de heer Van Apeldoorn is voor de heer Schalk.
De heer Van Apeldoorn i (SP):
Ik heb de heer Schalk van de SGP-fractie gehoord over de kwetsbare positie van budgethouders, van pgb-houders. Ten dele begrijp ik die zorgen ook. Ik zal daar in mijn eigen betoog nog iets over zeggen. Hoe zit het echter met de positie van de zorgverleners die werknemer zijn? Dat zijn ze nu ook al. Er is nu ook al sprake van een werkgever-werknemerrelatie. De heer Schalk had het over mantelzorgers. Volgens mij betreft dat vaak een andere situatie. Er zijn in ieder geval ook gewoon zorgverleners die werknemer zijn, maar die worden uitgezonderd van bepaalde rechten. Wat vindt de SGP-fractie daarvan?
De heer Schalk (SGP):
Ik denk dat het heel goed is dat professionele zorgverleners in ieder geval als normale werknemers worden behandeld. In deze wet, in deze aanpassing, gaat het er natuurlijk over dat mensen bij minder dan vier dagen per week in zijn algemeenheid op dezelfde manier behandeld gaan worden. Daar heb ik op gedoeld met een aantal voorbeelden die naar mijn bescheiden mening ook kunnen gelden voor mantelzorgers die tot nu toe als zorgverlener worden betaald, maar die misschien gewoon uit de eigen familie en dergelijke komen. De SGP vraagt natuurlijk om een goede positie van werknemers, waar dan ook. Daarom was een van de verzoeken van mijn collega Flach uit de Tweede Kamer een onderzoek naar een goede regeling, naar iets wat naar mijn bescheiden mening meer passend is dan hetgeen we nu voor hebben liggen.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Volgens mij vallen mantelzorgers vaak niet onder een arbeidsovereenkomst, maar er zouden misschien gevallen kunnen zijn waarin dat wel zo is. Feit blijft dat we nu met de pgb-zorgverleners een groep hebben, die grotendeels uit vrouwen bestaat, die niet de normale rechten heeft wat betreft sociale verzekeringen en andere arbeidsrechten die andere werknemers in Nederland wel hebben. Daarom heeft de Centrale Raad van Beroep gesteld dat dat indirecte discriminatie is. Deelt de SGP-fractie het uitgangspunt dat voor alle professionele zorgverleners, voor alle werknemers in de zorg en in andere sectoren, in principe dezelfde rechten zouden moeten gelden? Daar heb ik de SGP tot nog toe niet over gehoord.
De heer Schalk (SGP):
Ik snap de vraag van de heer Van Apeldoorn, met name omdat ik natuurlijk het woord "mantelzorgers" heb gebruikt. Laat ik klip-en-klaar aangeven dat ik niet zozeer doelde op een mantelzorger die gewoon voor bijvoorbeeld zijn kind of een familielid zorgt. Ik doelde op zorgverleners die zorg verlenen die je ook als mantelzorg zou kunnen omschrijven en die daarvoor ook betaald worden vanuit het pgb. Daar moeten natuurlijk goede regels voor komen. Dat moet goed geborgd zijn. Dat was dan ook de reden dat mijn collega Flach vroeg: kom nou met een goede regeling.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Van Apeldoorn.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Tot slot. Voor mij is het dan alleen niet duidelijk hoe de SGP dat goed wil borgen. Als de SGP zo kritisch is op dit wetsvoorstel waarbij wordt geregeld dat de zorgverleners, ook de pgb-zorgverleners, wel dezelfde rechten krijgen en alles wat erbij hoort — daar heeft de SGP grote moeite mee — wat is dan de oplossing waarbij wordt gekeken naar de positie van pgb-budgethouders maar ook naar de arbeidsrechtelijke positie van pgb-zorgverleners? Want, nogmaals, die kant van het verhaal hoor ik niet van de SGP, terwijl daar toch ook aandacht voor zou moeten zijn, ook vanuit het idee van goed werkgeverschap. Want als het gaat om het pgb, is er in de meeste gevallen wel degelijk sprake van een werkgever-werknemerrelatie.
De heer Schalk (SGP):
Ik mag natuurlijk geen wedervraag stellen, maar in de situatie van een gezin met een kwetsbaar kind enzovoorts, denk ik dat iedereen begrijpt dat dat dan heel ingewikkeld wordt. Ik snap ook de vraag die gesteld wordt door deze collega van de SP. Ik zeg toch nog een keer, ook in de derde termijn dan: dat is nou precies de vraag waar wij tegenaan lopen. Daarvan hebben we gezegd: laten we dat aan de minister voorleggen. Maar dat is al in de Tweede Kamer gevraagd en ik ben heel benieuwd wat de minister daar vandaag al over weet te melden.
Mevrouw Karaaslan-Kilic i (D66):
Ik heb een vraag aan de heer Schalk. Deze vraag kan de minister ook beantwoorden, maar ik vraag het ook aan u. Uit de stukken heb ik kunnen halen dat mantelzorg, de zorg die binnen de familie wordt verleend, niet binnen deze regeling valt. De situatie die u schetst, van ouder en werknemer, haal ik dus niet uit de documentatie. Misschien lees ik eroverheen. Voor zover ik heb gelezen in de stukken is deze regeling niet van toepassing op mantelzorg, dus zorg die binnen een familie wordt geleverd.
De heer Schalk (SGP):
Eigenlijk heb ik hetzelfde antwoord als zojuist. Daar waar het geboden liefdevolle mantelzorg is, begrijp ik dat dat niet aan de orde is, maar er zijn ook gewoon pgb-houders van wie het budget binnen het gezin wordt gebruikt om zorg te verlenen. Ik heb dat dan misschien met verkeerde woorden "mantelzorg" genoemd, maar het gaat me erom dat als er een financiële relatie ligt, dat op een goede manier zorgvuldig moet worden geregeld. Wij vragen ons als fractie van de SGP af of de manier waarop het nu is geregeld, de juiste is.
Mevrouw Karaaslan-Kilic (D66):
Voor zover ik het kan beoordelen — maar daar kan de minister straks meer duidelijkheid over geven — zijn deze werknemersrechten niet van toepassing op mantelzorg.
De heer Schalk (SGP):
Dank, mevrouw Karaaslan, dat u dit nogmaals benoemt. Ik denk dat de minister dat zo meteen ook gaat beamen. Waarschijnlijk heb ik zelf voor de verwarring gezorgd door zorgverleners ook mantelzorg toe te kennen.
Voorzitter. Hiermee ben ik aan het einde van mijn betoog.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Baumgarten. Hij spreekt namens JA21 en ook namens de Fractie-Van Gasteren en de Fractie-Walenkamp.
De heer Baumgarten i (JA21):
Voorzitter. Soms behandelt het parlement een wetsvoorstel waarvan de regering graag zou zien dat wij het aannemen. En soms behandelt het parlement een wetsvoorstel waarvan de regering kennelijk alvast heeft besloten dat wij het zullen aannemen. Het wetsvoorstel dat nu voorligt, behoort helaas tot die tweede categorie.
De reden kennen we. De SVB kreeg al begin 2025 opdracht om met de implementatie te beginnen. Toen vervolgens bleek dat de parlementaire behandeling niet voor 1 januari 2026 zou zijn afgerond, was de uitvoering al zo vergevorderd dat er volgens de regering feitelijk geen pauzeknop meer was. De oplossing werd vervolgens gezocht in terugwerkende kracht.
De regering heeft inmiddels zelf erkend dat deze gang van zaken niet wenselijk is, maar daarmee is voor mijn fractie de principiële kwestie niet opgelost. Voorbereiden op mogelijke wetgeving is één ding. De uitvoering zo ver laten voortschrijden dat het parlement bij verwerping met grote uitvoeringsproblemen wordt geconfronteerd: dat is iets anders. Het huidige kabinet heeft deze situatie geërfd, maar het is wel dit kabinet dat vandaag aan deze Kamer vraagt om de benodigde wetgeving te verschaffen. Dat schuurt met de woorden waarmee de regering begon. In zijn regeringsverklaring maakte minister-president Jetten van samenwerking het leidende principe van zijn kabinet. Hij sprak over samenwerking in de politiek, zei dat democratie meer moet zijn dan de helft plus één en beloofde nadrukkelijk het gesprek te zoeken met zowel de Tweede als de Eerste Kamer. Dat zijn mooie woorden, maar samenwerken met het parlement veronderstelt dat het parlement ook werkelijk de ruimte heeft om zijn eigen afwegingen te maken. Een Eerste Kamer die formeel nog nee kan zeggen, maar daarbij weet dat de uitvoering al maanden loopt en dat het terugdraaien daarvan volgens de uitvoerder zeker een jaar kost, wordt niet alleen niet serieus genomen, maar eigenlijk ook voor het blok gezet.
Voorzitter. Het argument dat er op enig moment eenvoudigweg geen pauzeknop meer was, overtuigt mijn fractie allerminst. Kijk naar de behandeling van box 3. Ook daar zijn jarenlang voorbereidingen getroffen, moesten omvangrijke ICT-systemen worden aangepast en was de Belastingdienst gebonden aan strakke uitvoeringstermijnen. De laatste vorm van het box 3-stelsel is inmiddels in de senaat geparkeerd.
Daarom heb ik de volgende vragen aan de minister. Erkent de minister dat door de gekozen handelswijze de materiële vrijheid van deze Kamer om het wetsvoorstel te verwerpen feitelijk is verkleind? Past het volgens hem bij de door het kabinet-Jetten beloofde samenwerking met het parlement wanneer de uitvoering van wetgeving zo ver op de parlementaire besluitvorming vooruitloopt dat verwerping nauwelijks nog zonder grote uitvoeringsproblemen mogelijk is? Erkent de minister bovendien dat deze handelswijze een ongewenst precedent kan scheppen?
Voorzitter. Dan de aanleiding voor deze wet. Daar wil mijn fractie wat langer bij stilstaan, omdat zich hier een ontwikkeling voordoet waar wij principieel grote moeite mee hebben. De Centrale Raad van Beroep oordeelde in 2023 dat pgb-zorgverleners die onder de Regeling dienstverlening aan huis vallen, niet van een verplichte WW-verzekering mochten worden uitgesloten wegens verboden indirect onderscheid naar geslacht. De juridische redenering was dat de uitzondering in de praktijk voornamelijk vrouwen trof en daarmee indirect onderscheid opleverde.
Laten we helder zijn: respect voor de rechtsstaat betekent niet dat het parlement iedere gerechtelijke uitspraak vanzelfsprekend moet toejuichen. Het betekent al helemaal niet dat de medewetgever daar geen kritiek op mag leveren. De wetgever heeft namelijk in het verleden bewust gekozen voor een bijzondere regeling voor dienstverlening aan huis. Aan die regeling lag een politieke afweging ten grondslag. Tegenover volledige werknemersbescherming stonden de bijzondere aard van persoonlijke dienstverlening, de lasten voor particuliere werkgevers, lees zorgbehoeftigen, en het belang van een toegankelijke en flexibele arbeidsrelatie. Dat is bij uitstek een afweging van belangen en dus bij uitstek een politieke afweging.
Via het Europese gelijkebehandelingsrecht wordt een politieke belangenafweging, die de wetgever eerder dus bewust heeft gemaakt, juridisch begrensd. Formeel past de rechter daarbij geldend recht toe, maar staatsrechtelijk blijft de uitkomst bijzonder ongemakkelijk. Een belangenafweging van werknemersbescherming, betaalbaarheid, flexibiliteit en de positie van particuliere werkgevers wordt hiermee uiteindelijk niet door de wetgever, maar door de rechter beslecht. Mijn fractie vindt die voortschrijdende juridisering van politieke afwegingen onwenselijk. Niet iedere ongelijke maatschappelijke uitkomst hoort via het gelijkebehandelingsrecht te worden omgezet in een door de rechter afdwingbare herinrichting van beleid. Bovendien trekt de regering de juridische redenering van de Centrale Raad breder door. Uit een uitspraak over de WW volgen uiteindelijk wijzigingen die ook andere werknemersverzekeringen en arbeidsrechtelijke verplichtingen raken.
Mijn vervolgvraag aan de minister is dan ook: deelt de minister de principiële zorg van mijn fractie dat via het leerstuk van indirect onderscheid politieke belangenafwegingen steeds verder kunnen verschuiven van de democratische wetgever naar de rechter? Waar ligt volgens de minister de grens tussen het toepassen van het gelijkebehandelingsrecht en het feitelijk bepalen hoe de wetgever verschillende maatschappelijke belangen tegen elkaar moet afwegen?
Voorzitter. Daarmee komen we bij het principiële probleem dat mijn fractie met deze wet heeft. Een ondernemer neemt mensen in dienst omdat hij arbeid nodig heeft om zijn onderneming te laten draaien. Een pgb-houder sluit een arbeidsovereenkomst omdat hij of zij hulp nodig heeft om het dagelijks leven te kunnen leiden zonder gebruik te hoeven maken van dure intramurale zorg, die overigens forse capaciteitsproblemen kent. Dat kan huishoudelijke ondersteuning zijn, maar ook zeer persoonlijke lichamelijke zorg. Dat verschil doet ertoe. Volgens de meest recente cijfers worden 10.127 budgethouders en 16.287 arbeidsovereenkomsten rechtstreeks geraakt door deze wetswijziging. Deze mensen zijn niet werkgever geworden omdat zij personeel wilden aansturen. Ze zijn werkgever geworden omdat ze afhankelijk zijn van zorg en de hulp van anderen. Toch worden meer verantwoordelijkheden die horen bij regulier werkgeverschap bij cliënten neergelegd. Daar dreigt iets wat mijn fractie in de schriftelijke behandeling nog onvoldoende beantwoord ziet.
We kunnen op papier eindeloos redeneren vanuit arbeidsrechtelijke categorieën, maar uiteindelijk zit aan de andere kant van die arbeidsovereenkomst een individu dat gewoon zorg probeert te regelen zoals het pgb bedoeld was, namelijk aan huis, volgens de wensen van de cliënt en vanuit eigen regie, juist om de druk om de druk op intramurale duurdere zorg te beperken. Daar zetten we nu dus een steeds omvangrijker administratief bouwwerk omheen: werkgeverslasten, loodadministratie, premieafdracht, ziekte- en re-integratieverplichtingen, verlofrechten, wijzigingen van arbeidsovereenkomsten en op termijn mogelijk verdere arbeidsrechtelijke verplichtingen. De SVB kan daarbij ondersteunen en een deel van de administratie uitvoeren, maar dat neemt niet weg dat de budgethouder juridisch werkgever blijft en dat het organiseren van persoonlijke zorg steeds verder wordt omgeven door regels die zijn ontwikkeld voor reguliere arbeidsverhoudingen.
Voor mijn fractie is het niet alleen relevant te weten of een budgethouder deze papierwinkel technisch aankan. De vraag is ook wat die papierwinkel met het gedrag van de budgethouder doet. Regels hebben namelijk gedragseffecten. Als iemand weet dat het inhuren van een zorgverlener betekent dat hij of zij een steeds uitgebreider pakket aan werkgeversverantwoordelijkheden op zich neemt, kan hij of zij besluiten daar helemaal niet aan te beginnen. Zeker voor ouderen, mensen met een beperking of mensen die al hun handen vol hebben aan het organiseren van hun leven en zorg, kan het vooruitzicht van formeel werkgeverschap voldoende zijn om af te haken. Dan maken we budgethouders kopschuw en ik sluit niet uit dat menig zorgverlener er hetzelfde in zit. Dan bereikt deze wet mogelijk precies het tegenovergestelde van wat die beoogt. Op papier hebben we dan de positie van de zorgverlener verbeterd, maar in de praktijk wordt de budgethouder terughoudender om zo'n zorgverlener überhaupt in dienst te nemen.
De regering wijst op ondersteuning door de SVB. Dat is nuttig, maar mist volgens mijn fractie een deel van het probleem. De vraag is niet alleen of iemand met voldoende hulp door een administratieve hindernisbaan heen kan komen, maar ook waarom wij die hindernisbaan rond individuele persoonlijke zorg überhaupt zo uitgebreid maken. Mijn vervolgvraag aan de minister is dan ook hoe groot hij het risico acht dat budgethouders door de opeenstapeling van werkgeversverplichtingen terughoudender worden om zelf zorgverleners in dienst te nemen. En welk niveau van administratieve en juridische belasting acht de regering eigenlijk nog verenigbaar met het oorspronkelijke uitgangspunt van eigen regie binnen het pgb?
Voorzitter. Dan resteert een fundamenteler punt. Een pgb is niet uitsluitend een financieringsinstrument. Eigen regie is een wezenlijk onderdeel van het stelsel om met elkaar de zorg betaalbaar en toegankelijk te houden. Bij persoonlijke verzorging kan het gaan om hulp bij wassen, aankleden, toiletgang en andere handelingen waarbij een zorgverlener letterlijk het meest persoonlijke domein van iemand binnenkomt. Wie die zorg verleent, is geen detail. Daarom is een arbeidsrelatie in de pgb-zorg niet zonder meer vergelijkbaar met een gewone arbeidsrelatie. Wanneer het vertrouwen tussen werkgever en werknemer op kantoor verdwijnt, is dat vervelend, maar wanneer het vertrouwen verdwijnt in iemand die helpt bij douchen of toiletgang, raakt dat rechtstreeks aan de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke autonomie van de zorgbehoevende. Juist op dit punt is de wet tijdens de behandeling al aangepast. De preventieve ontslagtoets treedt vooralsnog niet in werking. Dat laat ook zien dat de medewetgever de spanning tussen regulier arbeidsrecht en deze bijzondere zorgrelatie heeft onderkend. Een vervolgvraag aan de minister: waar ligt voor de minister uiteindelijk de grens wanneer arbeidsrechtelijke bescherming van de zorgverlener botst met de eigen regie, persoonlijke levenssfeer en lichamelijke autonomie van de zorgontvanger? Welk belang behoort in zo'n situatie volgens de regering uiteindelijk voorrang te krijgen?
Voorzitter. Een rechterlijke uitspraak doorkruist de politieke belangenafweging. De regering trekt die uitspraak vervolgens breder. De uitvoering begint voordat het parlement heeft ingestemd en terugdraaien is volgens de SVB bijzonder ingrijpend. De budgethouder krijgt meer werkgeversverantwoordelijkheden en nog voordat het geheel parlementair is afgerond, onderzoekt diezelfde regering alweer hoe het regime kan worden vereenvoudigd en verlicht.
Een pgb-houder is in de eerste plaats iemand die zorg nodig heeft en die de vrijheid heeft gekregen om die zorg zo veel mogelijk zelf te organiseren. De pgb-houder huurt zorgverleners in omdat hij of zij zorg nodig heeft. Het is doorgaans geen vrije keuze, maar bittere noodzaak. Hij of zij is geen ondernemer, heeft geen hr-afdeling en is al helemaal geen uitvoeringsloket van de verzorgingsstaat. Misschien moeten we niet nog een regeling boven op de regeling bouwen. Misschien moeten we ons afvragen of we onderweg het uitgangspunt, de bedoeling, uit het oog verloren zijn. Mijn fractie wacht de beantwoording van de minister met belangstelling af.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Bezaan. Zij spreekt namens de fractie van de PVV.
Mevrouw Bezaan i (PVV):
Voorzitter, dank voor het woord. Normaal gesproken beoordeelt deze Kamer een wetsvoorstel voordat het onderdeel wordt van het geldende wettelijke regime. Dat is bij uitstek onze taak als chambre de réflexion. Bij dit wetsvoorstel lijkt die volgorde te zijn omgedraaid. Sinds 1 januari zijn belangrijke gevolgen van het beoogde regime al in de uitvoering verwerkt en zijn de systemen daarop ingericht, terwijl de wettelijke regels daarvoor, deels met terugwerkende kracht, vandaag nog in deze Kamer liggen. Dat is vandaag door meerdere partijen genoemd.
Ruim acht maanden later bespreken we hier in dit huis of wij met deze wettelijke regeling willen instemmen. De minister heeft deze situatie zelf "zeer ongemakkelijk" en deze gang van zaken "niet wenselijk" genoemd. Dat is wat mijn fractie betreft een understatement vanjewelste. De Tweede Kamer heeft uitgesproken dat ze hierdoor praktisch voor een voldongen feit is gesteld en nu wordt ook deze Kamer gevraagd om zich hierover uit te spreken, terwijl belangrijke uitvoeringsaanpassingen al maanden geleden in gang zijn gezet. Ik kom daar later nog op terug.
Voorzitter. Ik kom eerst bij de kern van dit wetsvoorstel. De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat een pgb-zorgverlener die onder de Regeling dienstverlening aan huis viel, niet mocht worden uitgesloten van de verplichte werknemersverzekeringen. De regering heeft vervolgens geconcludeerd dat de juridische argumentatie van die uitspraak ook relevant is voor andere uitzonderingen binnen de Regeling dienstverlening aan huis. Ook de PVV-fractie in de Tweede Kamer heeft duidelijk uitgesproken dat zij het belangrijk vindt dat deze zorgverleners toegang krijgen tot de werknemersverzekeringen. Daar zit voor mijn fractie niet het probleem. Onze vraag gaat over de reikwijdte van de oplossing die het kabinet vervolgens heeft gekozen. Ook de Tweede Kamer heeft op onderdelen grenzen gesteld aan die reikwijdte. Zo is met het aangenomen amendement-Bühler de inwerkingtreding van een aantal aanvullende werkgeversverplichtingen opgeschort.
Tijdens de schriftelijke behandeling heeft mijn fractie gevraagd welke minder ingrijpende alternatieven juridisch zijn getoetst en wat minimaal noodzakelijk is om aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep te voldoen. De regering heeft toegelicht waarom zij onder meer een opt-insysteem en een gefaseerde invoering niet houdbaar acht, maar het blijft onvoldoende concreet welke minder ingrijpende varianten afzonderlijk juridisch zijn getoetst. Kan de minister daarom precies aangeven welke alternatieven juridisch zijn getoetst en door wie, en waar deze Kamer die beoordeling kan terugvinden? En kan hij onderscheiden welk deel van deze wetswijziging volgens het kabinet rechtstreeks juridisch noodzakelijk is en welk deel voortvloeit uit bredere juridische en beleidsmatige keuzes?
Voorzitter. Die keuzes hebben gevolgen. Budgethouders met een arbeidsovereenkomst waren juridisch al werkgever, maar krijgen te maken met uitgebreidere werkgeversverplichtingen. Zo gaat de loondoorbetalingsplicht bij ziekte van 6 naar maximaal 104 weken en gelden er re-integratieverplichtingen. Bij ziekte wordt het budget weliswaar aangevuld en neemt de SVB veel praktische werkzaamheden uit handen, maar de budgethouder blijft werkgever. Over wie hebben we het? Over mensen die zelf zorg of ondersteuning nodig hebben, ouderen, mensen met een beperking en chronisch zieken. Het kabinet heeft zelf erkend dat een budgethouder geen doorsnee werkgever is met een eigen hr-afdeling. Waarom acht het kabinet het proportioneel om deze zorgafhankelijke particulieren met deze uitgebreidere werkgeversverantwoordelijkheden te belasten?
Voorzitter. Dan de financiële gevolgen. De regering rekent met gemiddeld ongeveer 20% hogere werkgeverslasten. Vanaf 2026 is structureel 17,2 miljoen vrijgemaakt, waarvan 10,8 miljoen voor de Wlz, 1,8 miljoen via het gemeentefonds en 4,6 miljoen voor de uitvoering door de SVB. De regering gaat ervan uit dat de extra werkgeverslasten met de beschikbare compensatie kunnen worden opgevangen, maar voor mijn fractie is niet de verwachting op papier doorslaggevend maar wat er in de praktijk gebeurt. Mijn partijgenoot Mulder vroeg op 19 januari of gegarandeerd kon worden dat geen enkele budgethouder erop achteruit zou gaan. Die garantie kwam er niet. Maar toen hij vroeg of de staatssecretaris de inschatting aandurfde dat ruim boven de 90% niet achteruit zou gaan, antwoordde zij: ja, die inschatting durf ik wel aan.
Voorzitter. Ik vraag vandaag niet om een nieuwe inschatting, maar om de uitkomst. We zijn bijna acht maanden verder. Wat laten de cijfers nu zien? Kan de minister aangeven welk percentage van de getroffen budgethouders sinds 1 januari voldoende zorg heeft kunnen blijven inkopen en of de inschatting van ruim boven de 90% is uitgekomen? Als die cijfers er niet zijn, hoe kan het kabinet dan beoordelen of de compensatie daadwerkelijk voldoende is?
Voorzitter. Ook bij die compensatie blijven twee problemen bestaan. Ten eerste de gemeente. De regering erkent dat meerdere gemeenten geen compensatie bieden, terwijl daarvoor middelen via het gemeentefonds beschikbaar zijn gesteld. Een aantal gemeenten is na gesprekken met de VNG alsnog gaan compenseren en gemeenten die dat nog niet doen, worden volgens de regering actief benaderd. Maar hoeveel gemeenten compenseren op dit moment nog niet? Hoeveel budgethouders worden daardoor geraakt? Wat doet de minister concreet wanneer een budgethouder daardoor onvoldoende zorg kan inkopen? Ten tweede zijn de hogere werkgeverslasten structureel. De Tweede Kamer heeft de compensatieregeling met amendementen verbeterd, onder meer door een evaluatie binnen twee jaar en een mogelijkheid tot voortzetting van de Zvw-compensatie te regelen. Maar evalueren is nog niet hetzelfde als bepalen wanneer moet worden ingegrepen. Mijn fractie vroeg schriftelijk of er een drempelwaarde bestaat waarop het kabinet ingrijpt als de zorgcontinuïteit onder druk komt te staan. Het antwoord was nee. Op basis van welke concrete criteria besluit het kabinet straks dan wel dat aanvullende maatregelen nodig zijn? Wie is uiteindelijk verantwoordelijk wanneer een budgethouder zijn geïndiceerde zorg door deze hogere lasten niet meer kan inkopen?
Voorzitter. Dan terug naar het begin. Uit de stukken blijkt — ook dat is vandaag al eerder genoemd — dat de regering al voor 1 januari rekening hield met de mogelijkheid dat de parlementaire behandeling op dat moment nog niet zou zijn afgerond. Desondanks werd beoogd het wetsvoorstel met terugwerkende kracht per 1 januari 2026 in werking te laten treden. Er is dus een uitvoeringspad gekozen waarbij al substantiële uitvoeringsaanpassingen werden doorgevoerd terwijl de relevante wetswijziging nog door het parlement moest worden beoordeeld. Juist dat raakt aan de positie van het parlement. Formeel — ook dat is al eerder gezegd — kan deze Kamer nog steeds nee zeggen, maar wat betekent dat nee materieel nog wanneer systemen en uitvoeringsprocessen al maanden op het nieuwe regime zijn ingericht, en wanneer terugdraaien volgens de uitvoering grote problemen veroorzaakt. De Tweede Kamer heeft datzelfde probleem expliciet benoemd met de motie-Wendel/Neijenhuis over het voorkómen van onomkeerbare uitvoeringsaanpassingen. De Tweede Kamer spreekt daarin uit dat zij praktisch voor een voldongen feit is gesteld en zij heeft de regering verzocht herhaling te voorkomen.
Voorzitter. De uitspraak van de Centrale Raad moet vanzelfsprekend worden gerespecteerd en de geconstateerde strijd met het Europees recht moet worden beëindigd. Ook moeten uitvoeringsorganisaties zich kunnen voorbereiden op mogelijke nieuwe wetgeving. Maar voorbereiding is iets anders dan het treffen van onomkeerbare uitvoeringsmaatregelen die mede vooruitlopen op wettelijke verplichtingen waardoor de instemming van de medewetgever nog noodzakelijk is en die daardoor de parlementaire keuze materieel beperken.
Dáár ligt voor mijn fractie de principiële grens. Anders verandert de volgorde van eerst besluiten en dan uitvoeren in eerst uitvoeren en daarna het parlement om instemming vragen. Mijn fractie wil daarom van de minister weten welk concreet uitgangspunt hij voortaan hanteert om te voorkomen dat onomkeerbare uitvoeringsstappen de vrije oordeelsvorming van beide Kamers als medewetgever feitelijk beperken. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden toch noodzaken tot onomkeerbare uitvoeringsstappen vóór afronding van de parlementaire behandeling, wil mijn fractie dat beide Kamers daarover vooraf expliciet worden geïnformeerd. Afhankelijk van het antwoord van de minister overweegt mijn fractie een motie op dit punt.
Voorzitter. Pgb-zorgverleners verdienen een fatsoenlijke sociale bescherming. Daarover bestaat voor mijn fractie geen discussie, maar daar hoort ook de bescherming van de zorgafhankelijke budgethouder bij.
Mevrouw Bakker-Klein i (CDA):
Ik heb behoefte aan wat verduidelijking over wat u net zei over welke uitgangspunten de minister hanteert. Want ik mag toch aannemen dat het legaliteitsbeginsel, het uitgangspunt dat gewoon in de Grondwet is vastgelegd, door de minister gehanteerd wordt. Dat is toch niet iets wat we zouden moeten vragen? Kunt u zeggen wat u precies bedoelt met die vraag?
Mevrouw Bezaan (PVV):
Ja, nou ja, het hele proces van deze wet verdient sowieso niet de schoonheidsprijs, lijkt mij. Misschien wil ik gewoon een bevestigend antwoord op de vraag die u net stelt.
Mevrouw Bakker-Klein (CDA):
Dat in het vervolg de minister de wet als uitgangspunt blijft hanteren, bedoelt u?
Mevrouw Bezaan (PVV):
Ja.
Mevrouw Bakker-Klein (CDA):
Oké, dank u wel.
Mevrouw Bezaan (PVV):
Daarom willen wij vandaag graag duidelijkheid over drie zaken. Is de gekozen reikwijdte juridisch noodzakelijk én proportioneel? Kan het kabinet aantonen dat budgethouders hun noodzakelijke zorg kunnen blijven inkopen? En wanneer grijpt het in als dat niet lukt? Welk concreet uitgangspunt hanteert het kabinet om te voorkomen dat beide Kamers door onomkeerbare uitvoeringsstappen opnieuw voor een voldongen feit worden gesteld? Dat zijn voor mijn fractie de wezenlijke vragen bij dit wetsvoorstel.
Voorzitter, ik dank u voor uw tijd.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Petersen. Hij spreekt namens de fractie van de VVD.
De heer Petersen i (VVD):
Voorzitter, dank u wel. Het gebeurt niet vaak dat we in deze Kamer debatteren over een wetsvoorstel dat al is ingevoerd en ruim een halfjaar operationeel is. Dat is helaas een ongelukkige start van de behandeling van een wetsvoorstel waarbij de VVD-fractie ook een aantal inhoudelijke kanttekeningen wil plaatsen. De fractie betreurt het slordige proces dat de regering heeft gevolgd met de parlementaire besluitvorming. De minister heeft in zijn brief van 18 juni jongstleden herhaald dat hij zich genoodzaakt zag snel te handelen vanwege de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, maar daarmee werpt de minister de vraag op wat zwaarder weegt om tot implementatie van het wetsvoorstel over te gaan: een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep of parlementaire instemming door beide Kamers van de Staten-Generaal. Graag horen wij van de minister vandaag zijn perspectief hierop.
De minister heeft in de schriftelijke behandeling aangegeven dat als de Eerste Kamer dit wetsvoorstel afkeurt, dit vergaande verdringingseffecten heeft op andere IT- en beleidstrajecten binnen de SVB en dat dit herstelacties vraagt met grote gevolgen voor budgethouders en zorgverleners. Daarmee wekt de minister de indruk dat hij de verantwoordelijkheid hiervoor bij de Eerste Kamer neerlegt. Mijn fractie hoopt dat deze indruk niet terecht is en hoort graag van de minister wie in dit mogelijke scenario verantwoordelijkheid draagt: de Eerste Kamer of de regering.
Dan naar de inhoud, voorzitter. VVD-staatssecretaris Erica Terpstra was in het eerste kabinet-Kok de stimulerende kracht achter het pgb. Ze noemde het haar politieke kindje. Haar fundamentele ambitie was zorgconsumenten meer vrijheid en meer zelfbeschikking over hun eigen leven te geven. Het voorliggende wetsvoorstel zet deze ambitie onder druk. Daarover heeft de VVD vragen en opmerkingen.
De Raad van Beroep heeft uitspraak gedaan in een individuele casus met een beperkte reikwijdte. De regering heeft hier aanleiding in gezien een wetsvoorstel te presenteren met ruime uitwerking, die verdergaat dan de zuivere implementatie. Zo is niet alleen de WW-verzekeringsplicht, maar de verzekeringsplicht voor alle werknemersverzekeringen in het wetsvoorstel verwerkt, en ook een aanzienlijk langere duur van loondoorbetaling bij ziekte, vakantiedagen et cetera. De regering maakt bewust de inschatting dat dit vroeg of laat door de rechter verordonneerd zal worden, maar de VVD-fractie had er de voorkeur aan gegeven dat de minister hierover een juridisch-inhoudelijke toets door de rechter zou hebben afgewacht, in plaats van te kiezen voor een ruimere uitwerking dan de uitspraak strikt genomen vraagt. De VVD-fractie vraagt de minister dan ook of de complexiteit van dit wetsvoorstel niet onnodig is vergroot door de veel ruimere uitwerking van de uitspraak van de raad. Wordt door deze grote complexiteit niet een onnodig groot beroep gedaan op het hier al vaak genoemde doenvermogen van de pgb-houders? Had de aanzienlijke stijging van de werkgeverslasten met een zuivere uitwerking beperkt kunnen worden?
Voorzitter. De stijging van de werkgeverslasten steekt de VVD-fractie als een graat in de keel. De tijdelijke duur van twee jaar voor de compensatie hiervoor maakt de budgethouders bezorgd. Op vragen van de VVD-fractie in de schriftelijke behandeling heeft de minister hierover geantwoord: "Als de werkgeverslasten voor budgethouders toenemen, zal de regering hier rekenschap aan moeten geven. Het blijft immers van belang dat budgethouders in staat blijven om de geïndiceerde zorg in te kopen." De VVD waardeert dit antwoord uiteraard, maar zou toch namens de pgb-houders meer concrete zekerheid hierover willen krijgen. Daarom vragen wij of de minister hier vandaag in gewonemensentaal kan toezeggen dat budgethouders ook na afloop van de toegezegde compensatieperiode van twee jaar in staat blijven hun geïndiceerde zorg in te kopen.
De minister heeft uitgebreid beschreven hoe budgethouders zullen worden ondersteund. Dat is belangrijk, maar dit betreft vooral de administratieve en praktische werkgeversverantwoordelijkheden. De VVD zou daarnaast graag zien dat budgethouders worden geholpen om hun zorg zo slim mogelijk in te kopen, zodat zij op een efficiënte manier hun geïndiceerde zorg kunnen krijgen. Kan de minister aangeven welke mogelijkheden hij ziet om pgb-houders deze inkoopondersteuning te geven? Als dit extra capaciteit en hulpmiddelen vraagt, kan hij dan ook aangeven hoe hij deze in stelling zal brengen?
Ten slotte is de VVD-fractie ook bezorgd over de fraudegevoeligheid van het pgb. We rekenen erop dat de minister deze zorg deelt. De minister heeft in de Tweede Kamer aangegeven dat hij de omvang van de pgb-fraude niet kan inschatten. De omvang van de fraude in de zorg, bijvoorbeeld bij de Wmo en de jeugdzorg, die naar schatting 10% is, doet vermoeden dat deze toch fors kan oplopen. De VVD-fractie hoopt dan ook dat de minister onze ambitie deelt om de stijgende kosten die voortvloeien uit dit wetsvoorstel ten minste voor een deel uit fraudevermindering te betalen. In het wetsvoorstel zijn hiervoor helaas geen maatregelen opgenomen. Daarom zijn wij benieuwd of de minister kan aangeven waar hij ruimte ziet om fraude zo veel mogelijk buiten de deur te houden.
Voorzitter. Met de keuze voor de ruime uitwerking wordt het behoud van de keuzevrijheid voor veel budgethouders ingewikkelder. Het is al genoemd. Zij behouden weliswaar formeel hun vrijheid, maar toch bestaat het risico dat een aantal van hen met tegenzin voor georganiseerde zorg zou kiezen en daarmee een deel van de keuzevrijheid zou inleveren. Dit kan een indicator zijn van erosie van de oorspronkelijke pgb-ambitie van persoonlijke regie, zoals staatssecretaris Erica Terpstra die ooit bedoelde. Is de minister bereid te monitoren of het aantal budgethouders dat inkoopt via georganiseerde constructies, zoals zorginstellingen of bemiddelingsbureaus, toeneemt ten opzichte van de rechtstreekse arbeidsrelaties, en de Kamer hierover te informeren bij de evaluatie na drie jaar?
Voorzitter. De VVD wacht de reactie van de minister met nieuwsgierigheid en belangstelling af. Dank u wel.
De voorzitter:
Ik zag mevrouw Ramsodit eerst opstaan.
Mevrouw Ramsodit i (GroenLinks-PvdA):
Het is mooi dat mevrouw Terpstra niet alleen voor de hoedjes heeft gezorgd, die we volgende week wellicht te zien krijgen, maar ook aan de inhoud zoals we die hier kennen een belangrijke bijdrage heeft geleverd. Ik heb naar aanleiding van uw punt over de geïndiceerde zorg de volgende vraag. U hecht belang aan zelfregie. Dat onderschrijven wij. Zou het wat u betreft zo kunnen zijn dat de zelfregie behouden wordt, maar de verantwoordelijkheid van het formele werkgeverschap ergens anders ligt?
De heer Petersen (VVD):
Ik geloof dat dat bij dit wetsvoorstel niet aan de orde is. De ondersteuning van het werkgeverschap komt bij de SVB te liggen. Dat lijkt ons een goede plaats. Die heeft daar ervaring mee. Het is al genoemd: de mensen die vier dagen of meer zorg ontvangen, laten dat ook door de SVB doen. Ik heb niet begrepen dat daarbij hele grote problemen zijn. De vraag die u stelt, is interessant, alleen niet aan de orde in dit debat. Ik heb daar dus niet een hele uitgesproken verdere mening over.
Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):
Het is wel aan de orde wat betreft het belang dat wordt gehecht aan een werkbaardere en toekomstbestendigere manier van omgang met het pgb en wat betreft de knelpunten die we hier in deze Kamer met elkaar zien rond het doenvermogen ten aanzien van het werkgeverschap. Wat is dan uw antwoord?
De heer Petersen (VVD):
Ik denk dat het uitgangspunt van de VVD-fractie hetzelfde is als het uitgangspunt van staatssecretaris Terpstra in die tijd. Daarom heb ik aan het eind van mijn betoog gevraagd of de minister in de evaluatie over drie jaar wil aangeven hoeveel pgb-zorg in de traditionele zin is verschoven naar georganiseerde zorg. Dat zou geen goed teken zijn. Dat ondermijnt ook de bedoelingen van het pgb. Wij zijn voor alle maatregelen, veranderingen en ideeën die er uiteindelijk toe zullen leiden dat de zorg weer op de plek komt waar die hoort, omdat onze fractie groot voorstander is van het pgb. We geloven daarin. We hebben van mensen van Per Saldo gehoord dat er grote tevredenheid over is. Het werkt. Het is heel belangrijk dat dat zo blijft. Voor zover dat niet kan door omstandigheden die hebben geleid tot dit wetsvoorstel, hopen we dat de beweging door initiatieven van de regering zo snel mogelijk weer teruggaat, om de werking van het pgb, waar dat kan, zo veel mogelijk te behouden.
Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):
Dank voor uw antwoord.
De heer Van Apeldoorn i (SP):
Ik hoorde de heer Petersen van de VVD-fractie zich zorgen maken over de vergrote werkgeverslasten voor pgb-houders. Die zorgen deelt de SP-fractie ook. Daarom zou daarvoor een duurzame oplossing gevonden moeten worden. Ik hoorde de heer Petersen in zijn betoog ook zeggen dat hij het betreurt dat de regering gekozen heeft voor een ruime uitwerking of toepassing wat betreft de principes zoals vastgelegd in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Dat wil zeggen dat men het breder getrokken heeft naar ook andere werknemersrechten. Dat zou het dan allemaal nog ingewikkelder maken. Maar wat vindt de VVD-fractie dan van het principe van gelijke behandeling en het verbod op indirecte discriminatie op de arbeidsmarkt, zoals dat ook vastgelegd is in de zogenaamde Europese derde richtlijn?
De heer Petersen (VVD):
De VVD-fractie is, zoals u bekend zal voorkomen, voor het principe van gelijke monniken, gelijke kappen. Alleen is er geen sprake van gelijke monniken, gelijke kappen op het moment dat er in de wet verschil wordt gemaakt tussen drie dagen en minder zorg en vier dagen en meer zorg. De uitwerking gaat verder dan de zuivere uitwerking. Dat hadden wij liever anders gezien. Dat zal u ook niet verbazen, omdat de VVD ook bij andere uitspraken in principe voorstander is van een zuivere uitwerking. Dat geldt ook voor veel zaken die uit Europa komen. Daarover hebben we ook gezegd wat ik zojuist heb verteld namens de fractie: we hadden liever gezien dat de minister de juridische toets door de rechter had afgewacht in plaats van zelf het wetsvoorstel groter te maken dan de uitspraak van de Raad heeft gevraagd.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Maar neemt de VVD-fractie hierbij dan ook afstand van … Natuurlijk, de VVD mag er een andere kijk op hebben, maar begrijp ik het goed dat de VVD-fractie het niet eens is met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep? De heer Petersen zegt dat "gelijke monniken, gelijke kappen" hier niet geldt, maar dat gaat eigenlijk in tegen die uitspraak, want die stelt dat ook als er minder dan vier dagen wordt gewerkt, je niet deze hele groep zorgverleners, die voornamelijk uit vrouwen bestaat, kan uitzonderen van het huidige arbeidsrecht. Dat is een ongerechtvaardigde vorm van indirecte discriminatie op basis van het Europese recht. Logischerwijs zou dat dan ook gelden voor andere werknemersrechten, vandaar dat de regering dat ook zo heeft toegepast, denk ik. Dus ik vraag eigenlijk ook wat de VVD-fractie inhoudelijk vindt van het principe dat is vastgelegd, ook in het Europese recht, dat je niet mag discrimineren, ook niet indirect, en van de manier waarop de Centrale Raad van Beroep dat ook heeft uitgelegd. Is dat niet een principe waar de VVD-fractie ook aan hecht?
De heer Petersen (VVD):
Wat mij betreft is wat voorligt de uitwerking van de uitspraak van de Raad. Daarover hebben wij gezegd dat we die uitwerking liever zuiver hadden gezien in plaats van met een ruime implementatie, om de redenen die ik heb genoemd. Dat is wat relevant is voor dit debat, denk ik.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Van Apeldoorn.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Tot slot. Ik constateer dat collega Petersen geen inhoudelijk antwoord geeft op mijn inhoudelijke vraag over wat hij vindt van het beginsel zoals dat vastgelegd is in de Europese derde richtlijn, die erover gaat dat je niet mag discrimineren op de arbeidsmarkt, ook niet op een indirecte manier.
Misschien dan toch een andere vraag waar hij misschien wel antwoord op kan geven. Hij zegt: we moeten gerechtelijke uitspraken, verdere jurisprudentie, afwachten. Dan creëer je toch ook nog heel veel onzekerheid, zowel voor pgb-budgethouders als voor pgb-zorgverleners? Want het ligt toch in de rede dat als de ene vorm van discriminatie verboden is, de andere vorm van discriminatie, die ook te maken heeft met het arbeidsrecht, uiteindelijk ook juridisch niet door de beugel kan? Er lopen nu allemaal processen. Dan moeten we dus afwachten tot die processen tot een einde komen en de rechter een uitspraak doet, waarna er weer opnieuw reparatiewetgeving zou moeten komen. Dat is dus de weg waar de VVD voor kiest?
De heer Petersen (VVD):
In dit geval hadden we liever gezien dat de minister zich had beperkt tot een uitvoering die zuiver was en dus het punt waar de Raad over heeft geoordeeld, had uitgewerkt. Wij zijn er geen voorstander van dat dit soort uitspraken als haakje wordt gezien voor ruimere uitwerking in wetgeving. Dat is wel gebeurd. Dat hadden wij liever anders gezien. Ik heb ook aangegeven dat we dat liever hadden gezien met een juridische toets door een rechterlijke uitspraak.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik schors de beraadslaging en de vergadering voor de dinerpauze tot 19.00 uur.
De beraadslaging wordt geschorst.
De voorzitter:
Voor de goede orde meld ik nogmaals dat na de dinerpauze de stemming plaatsvindt over het voorstel om het Reglement van Orde te wijzigen. Let u dan op de stemmingsbel.
Straks wordt in de Hall het publieksrapport Parlementsonderzoek 2025 overhandigd aan de beide Kamers. Namens de Eerste Kamer zal ik het rapport in ontvangst nemen. U bent natuurlijk ook van harte uitgenodigd om daarbij aanwezig te zijn.
De vergadering wordt van 17.31 uur tot 19.01 uur geschorst.