1.Vaststellen agenda
(vergadering direct aansluitend aan de vergadering BIZA + DIGI)
2.36643 (R2202)
Ontvlechting van de Nederlandse identiteitskaart
Beslispunt
Wenst de commissie:
-
-een datum te bepalen voor het leveren van inbreng voor het tweede verslag?
-
-het wetsvoorstel (tegelijk met wetsvoorstel 36.644) af te doen als hamerstuk of na stemming?
-
-de Kamervoorzitter een datumvoorstel te doen voor een plenair debat, gezamenlijk met wetsvoorstel 36.644 (Wet op de Nederlandse identiteitskaart)?
Toelichting
Op 13 maart 2026 heeft uw commissie de nota naar aanleiding van het verslag van Rijkswetsvoorstel 36.643 (R2202) ontvangen (36.643, C). Heden bespreekt u de nadere procedure.
Het doel van het Rijkswetsvoorstel 36.643 (R2202) is om alle bepalingen in de Paspoortwet over de (uitgifte van de) Nederlandse identiteitskaart (hierna: NIK) en de vervangende NIK te schrappen en deze onder te brengen in een afzonderlijke wet: de Wet op de Nederlandse identiteitskaart (36.644). Deze wet kan, na eventuele aanvaarding door de Eerste Kamer, slechts in werking treden nadat het voorstel van Rijkswet tot wijziging van de Paspoortwet in verband met de ontvlechting van de Nederlandse identiteitskaart (36.643 (R2202)) door beide Kamers is aanvaard. Gelet op deze samenhang heeft de commissie besloten te streven naar gelijktijdige plenaire afhandeling van beide wetsvoorstellen. Op 10 februari 2026 heeft de commissie besloten de nadere procedure van wetsvoorstel 36.644 aan te houden, teneinde beide wetsvoorstellen gelijktijdig plenair te kunnen afhandelen.
Nadere procedure
3.36800 I
Begrotingsstaat Koning 2026
Beslispunt
Hoe wenst de commissie het begrotingswetsvoorstel te behandelen?
Toelichting
De commissie heeft de keuze uit de volgende behandelopties:
-
1.een datum te bepalen voor het leveren van inbreng voor een verslag;
-
2.te volstaan met een blanco verslag (geen schriftelijke voorbereiding in commissieverband, en het wetsvoorstel ter besluitvorming aan de plenaire vergadering voorleggen als hamerstuk of door middel van stemming);
-
3.te volstaan met een verslag onder voorbehoud van plenaire behandeling (geen schriftelijke behandeling in de commissie, wel een plenair debat).
Achtergrond
-
-Op 24 maart jl. heeft de Tweede Kamer gestemd over alle begrotingswetsvoorstellen. In het College van fractievoorzitters is de wens uitgesproken om een spoedige begrotingsbehandeling te waarborgen. Op 7 april vinden in principe geen commissievergaderingen plaats vanwege het debat over de regeringsverklaring. Omdat er op 31 maart geen plenair debat voorzien is en er dus veel tijd is voor commissievergaderingen, is voorgesteld om waar mogelijk de begrotingen op 31 maart voor procedure te agenderen in alle commissies.
-
-In artikel 2.25 van de Comptabiliteitswet 2016 is een regel opgenomen voor het geval een begroting niet voor de start van het kalenderjaar is goedgekeurd. Lopend beleid dat ten grondslag ligt aan de begroting kan met terughoudendheid in uitvoering worden genomen. Voor nieuw beleid geldt het uitgangspunt 'niet, tenzij'. Voor dit 'tenzij' is vereist dat uitstel naar de mening van de betreffende minister niet in het belang is van de Staat en dat hij de Kamers daarover heeft geïnformeerd. De Kamers hoeven zich hier niet expliciet over uit te spreken.
-
-De Europese begrotingsregels (Verordening (EU) nr. 473/2013, artikel 4, lid 3 en overweging 15) bepalen dat begrotingen in principe vóór aanvang van het begrotingsjaar worden vastgesteld. In het geval behandeling voor de jaarwisseling niet lukt (“omwille van objectieve redenen buiten de macht van de overheid"), dienen lidstaten te beschikken over uitgestelde begrotingsprocedures. Met de hiervoor genoemde bepaling in de Comptabiliteitswet is in zo’n uitgestelde begrotingsprocedure voorzien.
Internetconsultatie en uitvoeringstoetsen
Conform de Kamernotitie Uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en doenvermogen burgers treft u hieronder een overzicht met link naar de internetconsultatie en uitvoeringstoetsen:
-
-geen internetconsultatie
-
-geen uitvoeringstoetsen
Daarbij zij aangetekend dat consultaties en toetsen bij begrotingen ook ongebruikelijk zijn.
Procedure
4.36800 IIA
Begrotingsstaat Staten-Generaal 2026
Beslispunt
Hoe wenst de commissie het begrotingswetsvoorstel te behandelen?
Toelichting
De commissie heeft de keuze uit de volgende behandelopties:
-
1.een datum te bepalen voor het leveren van inbreng voor een verslag;
-
2.te volstaan met een blanco verslag (geen schriftelijke voorbereiding in commissieverband, en het wetsvoorstel ter besluitvorming aan de plenaire vergadering voorleggen als hamerstuk of door middel van stemming);
-
3.te volstaan met een verslag onder voorbehoud van plenaire behandeling (geen schriftelijke behandeling in de commissie, wel een plenair debat).
Achtergrond
-
-Op 24 maart jl. heeft de Tweede Kamer gestemd over alle begrotingswetsvoorstellen. In het College van fractievoorzitters is de wens uitgesproken om een spoedige begrotingsbehandeling te waarborgen. Op 7 april vinden in principe geen commissievergaderingen plaats vanwege het debat over de regeringsverklaring. Omdat er op 31 maart geen plenair debat voorzien is en er dus veel tijd is voor commissievergaderingen, is voorgesteld om waar mogelijk de begrotingen op 31 maart voor procedure te agenderen in alle commissies.
-
-In artikel 2.25 van de Comptabiliteitswet 2016 is een regel opgenomen voor het geval een begroting niet voor de start van het kalenderjaar is goedgekeurd. Lopend beleid dat ten grondslag ligt aan de begroting kan met terughoudendheid in uitvoering worden genomen. Voor nieuw beleid geldt het uitgangspunt 'niet, tenzij'. Voor dit 'tenzij' is vereist dat uitstel naar de mening van de betreffende minister niet in het belang is van de Staat en dat hij de Kamers daarover heeft geïnformeerd. De Kamers hoeven zich hier niet expliciet over uit te spreken.
-
-De Europese begrotingsregels (Verordening (EU) nr. 473/2013, artikel 4, lid 3 en overweging 15) bepalen dat begrotingen in principe vóór aanvang van het begrotingsjaar worden vastgesteld. In het geval behandeling voor de jaarwisseling niet lukt (“omwille van objectieve redenen buiten de macht van de overheid"), dienen lidstaten te beschikken over uitgestelde begrotingsprocedures. Met de hiervoor genoemde bepaling in de Comptabiliteitswet is in zo’n uitgestelde begrotingsprocedure voorzien.
Internetconsultatie en uitvoeringstoetsen
Conform de Kamernotitie Uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en doenvermogen burgers treft u hieronder een overzicht met link naar de internetconsultatie en uitvoeringstoetsen:
-
-geen internetconsultatie
-
-geen uitvoeringstoetsen
Daarbij zij aangetekend dat consultaties en toetsen bij begrotingen ook ongebruikelijk zijn.
Procedure
5.36800 IIB
Begrotingsstaat overige Hoge Colleges van Staat, Kabinetten van de Gouverneurs en de Kiesraad 2026
Beslispunt
Hoe wenst de commissie het begrotingswetsvoorstel te behandelen?
Toelichting
De commissie heeft de keuze uit de volgende behandelopties:
-
1.een datum te bepalen voor het leveren van inbreng voor een verslag;
-
2.te volstaan met een blanco verslag (geen schriftelijke voorbereiding in commissieverband, en het wetsvoorstel ter besluitvorming aan de plenaire vergadering voorleggen als hamerstuk of door middel van stemming);
-
3.te volstaan met een verslag onder voorbehoud van plenaire behandeling (geen schriftelijke behandeling in de commissie, wel een plenair debat).
Achtergrond
-
-Op 24 maart jl. heeft de Tweede Kamer gestemd over alle begrotingswetsvoorstellen. In het College van fractievoorzitters is de wens uitgesproken om een spoedige begrotingsbehandeling te waarborgen. Op 7 april vinden in principe geen commissievergaderingen plaats vanwege het debat over de regeringsverklaring. Omdat er op 31 maart geen plenair debat voorzien is en er dus veel tijd is voor commissievergaderingen, is voorgesteld om waar mogelijk de begrotingen op 31 maart voor procedure te agenderen in alle commissies.
-
-In artikel 2.25 van de Comptabiliteitswet 2016 is een regel opgenomen voor het geval een begroting niet voor de start van het kalenderjaar is goedgekeurd. Lopend beleid dat ten grondslag ligt aan de begroting kan met terughoudendheid in uitvoering worden genomen. Voor nieuw beleid geldt het uitgangspunt 'niet, tenzij'. Voor dit 'tenzij' is vereist dat uitstel naar de mening van de betreffende minister niet in het belang is van de Staat en dat hij de Kamers daarover heeft geïnformeerd. De Kamers hoeven zich hier niet expliciet over uit te spreken.
-
-De Europese begrotingsregels (Verordening (EU) nr. 473/2013, artikel 4, lid 3 en overweging 15) bepalen dat begrotingen in principe vóór aanvang van het begrotingsjaar worden vastgesteld. In het geval behandeling voor de jaarwisseling niet lukt (“omwille van objectieve redenen buiten de macht van de overheid"), dienen lidstaten te beschikken over uitgestelde begrotingsprocedures. Met de hiervoor genoemde bepaling in de Comptabiliteitswet is in zo’n uitgestelde begrotingsprocedure voorzien.
Internetconsultatie en uitvoeringstoetsen
Conform de Kamernotitie Uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en doenvermogen burgers treft u hieronder een overzicht met link naar de internetconsultatie en uitvoeringstoetsen:
-
-geen internetconsultatie
-
-geen uitvoeringstoetsen
Daarbij zij aangetekend dat consultaties en toetsen bij begrotingen ook ongebruikelijk zijn.
Procedure
6.36800 III
Begrotingsstaten Algemene Zaken, Kabinet van de Koning en Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2026
Beslispunt
Hoe wenst de commissie het begrotingswetsvoorstel te behandelen?
Toelichting
De commissie heeft de keuze uit de volgende behandelopties:
-
1.een datum te bepalen voor het leveren van inbreng voor een verslag;
-
2.te volstaan met een blanco verslag (geen schriftelijke voorbereiding in commissieverband, en het wetsvoorstel ter besluitvorming aan de plenaire vergadering voorleggen als hamerstuk of door middel van stemming);
-
3.te volstaan met een verslag onder voorbehoud van plenaire behandeling (geen schriftelijke behandeling in de commissie, wel een plenair debat).
Achtergrond
-
-Op 24 maart jl. heeft de Tweede Kamer gestemd over alle begrotingswetsvoorstellen. In het College van fractievoorzitters is de wens uitgesproken om een spoedige begrotingsbehandeling te waarborgen. Op 7 april vinden in principe geen commissievergaderingen plaats vanwege het debat over de regeringsverklaring. Omdat er op 31 maart geen plenair debat voorzien is en er dus veel tijd is voor commissievergaderingen, is voorgesteld om waar mogelijk de begrotingen op 31 maart voor procedure te agenderen in alle commissies.
-
-In artikel 2.25 van de Comptabiliteitswet 2016 is een regel opgenomen voor het geval een begroting niet voor de start van het kalenderjaar is goedgekeurd. Lopend beleid dat ten grondslag ligt aan de begroting kan met terughoudendheid in uitvoering worden genomen. Voor nieuw beleid geldt het uitgangspunt 'niet, tenzij'. Voor dit 'tenzij' is vereist dat uitstel naar de mening van de betreffende minister niet in het belang is van de Staat en dat hij de Kamers daarover heeft geïnformeerd. De Kamers hoeven zich hier niet expliciet over uit te spreken.
-
-De Europese begrotingsregels (Verordening (EU) nr. 473/2013, artikel 4, lid 3 en overweging 15) bepalen dat begrotingen in principe vóór aanvang van het begrotingsjaar worden vastgesteld. In het geval behandeling voor de jaarwisseling niet lukt (“omwille van objectieve redenen buiten de macht van de overheid"), dienen lidstaten te beschikken over uitgestelde begrotingsprocedures. Met de hiervoor genoemde bepaling in de Comptabiliteitswet is in zo’n uitgestelde begrotingsprocedure voorzien.
Internetconsultatie en uitvoeringstoetsen
Conform de Kamernotitie Uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en doenvermogen burgers treft u hieronder een overzicht met link naar de internetconsultatie en uitvoeringstoetsen:
-
-geen internetconsultatie
-
-geen uitvoeringstoetsen
Daarbij zij aangetekend dat consultaties en toetsen bij begrotingen ook ongebruikelijk zijn.
Procedure
7.36800 C
Begrotingsstaat provinciefonds 2026
Beslispunt
Hoe wenst de commissie het begrotingswetsvoorstel te behandelen?
Toelichting
De commissie heeft de keuze uit de volgende behandelopties:
-
1.een datum te bepalen voor het leveren van inbreng voor een verslag;
-
2.te volstaan met een blanco verslag (geen schriftelijke voorbereiding in commissieverband, en het wetsvoorstel ter besluitvorming aan de plenaire vergadering voorleggen als hamerstuk of door middel van stemming);
-
3.te volstaan met een verslag onder voorbehoud van plenaire behandeling (geen schriftelijke behandeling in de commissie, wel een plenair debat).
Achtergrond
-
-Op 24 maart jl. heeft de Tweede Kamer gestemd over alle begrotingswetsvoorstellen. In het College van fractievoorzitters is de wens uitgesproken om een spoedige begrotingsbehandeling te waarborgen. Op 7 april vinden in principe geen commissievergaderingen plaats vanwege het debat over de regeringsverklaring. Omdat er op 31 maart geen plenair debat voorzien is en er dus veel tijd is voor commissievergaderingen, is voorgesteld om waar mogelijk de begrotingen op 31 maart voor procedure te agenderen in alle commissies.
-
-In artikel 2.25 van de Comptabiliteitswet 2016 is een regel opgenomen voor het geval een begroting niet voor de start van het kalenderjaar is goedgekeurd. Lopend beleid dat ten grondslag ligt aan de begroting kan met terughoudendheid in uitvoering worden genomen. Voor nieuw beleid geldt het uitgangspunt 'niet, tenzij'. Voor dit 'tenzij' is vereist dat uitstel naar de mening van de betreffende minister niet in het belang is van de Staat en dat hij de Kamers daarover heeft geïnformeerd. De Kamers hoeven zich hier niet expliciet over uit te spreken.
-
-De Europese begrotingsregels (Verordening (EU) nr. 473/2013, artikel 4, lid 3 en overweging 15) bepalen dat begrotingen in principe vóór aanvang van het begrotingsjaar worden vastgesteld. In het geval behandeling voor de jaarwisseling niet lukt (“omwille van objectieve redenen buiten de macht van de overheid"), dienen lidstaten te beschikken over uitgestelde begrotingsprocedures. Met de hiervoor genoemde bepaling in de Comptabiliteitswet is in zo’n uitgestelde begrotingsprocedure voorzien.
Internetconsultatie en uitvoeringstoetsen
Conform de Kamernotitie Uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en doenvermogen burgers treft u hieronder een overzicht met link naar de internetconsultatie en uitvoeringstoetsen:
-
-geen internetconsultatie
-
-geen uitvoeringstoetsen
Daarbij zij aangetekend dat consultaties en toetsen bij begrotingen ook ongebruikelijk zijn.
Procedure
8.36800 B
Begrotingsstaat gemeentefonds 2026
Beslispunt
Hoe wenst de commissie het begrotingswetsvoorstel te behandelen?
Toelichting
NB het gewijzigde voorstel van wet (A-stuk) was bij het publiceren van deze agenda nog niet beschikbaar, daarom zijn het oorspronkelijke wetsvoorstel en het door de Tweede Kamer aanvaarde amendement (1 totaal) als bijlagen toegevoegd.
De commissie heeft de keuze uit de volgende behandelopties:
-
1.een datum te bepalen voor het leveren van inbreng voor een verslag;
-
2.te volstaan met een blanco verslag (geen schriftelijke voorbereiding in commissieverband, en het wetsvoorstel ter besluitvorming aan de plenaire vergadering voorleggen als hamerstuk of door middel van stemming);
-
3.te volstaan met een verslag onder voorbehoud van plenaire behandeling (geen schriftelijke behandeling in de commissie, wel een plenair debat).
Achtergrond
-
-Op 24 maart jl. heeft de Tweede Kamer gestemd over alle begrotingswetsvoorstellen. In het College van fractievoorzitters is de wens uitgesproken om een spoedige begrotingsbehandeling te waarborgen. Op 7 april vinden in principe geen commissievergaderingen plaats vanwege het debat over de regeringsverklaring. Omdat er op 31 maart geen plenair debat voorzien is en er dus veel tijd is voor commissievergaderingen, is voorgesteld om waar mogelijk de begrotingen op 31 maart voor procedure te agenderen in alle commissies.
-
-In artikel 2.25 van de Comptabiliteitswet 2016 is een regel opgenomen voor het geval een begroting niet voor de start van het kalenderjaar is goedgekeurd. Lopend beleid dat ten grondslag ligt aan de begroting kan met terughoudendheid in uitvoering worden genomen. Voor nieuw beleid geldt het uitgangspunt 'niet, tenzij'. Voor dit 'tenzij' is vereist dat uitstel naar de mening van de betreffende minister niet in het belang is van de Staat en dat hij de Kamers daarover heeft geïnformeerd. De Kamers hoeven zich hier niet expliciet over uit te spreken.
-
-De Europese begrotingsregels (Verordening (EU) nr. 473/2013, artikel 4, lid 3 en overweging 15) bepalen dat begrotingen in principe vóór aanvang van het begrotingsjaar worden vastgesteld. In het geval behandeling voor de jaarwisseling niet lukt (“omwille van objectieve redenen buiten de macht van de overheid"), dienen lidstaten te beschikken over uitgestelde begrotingsprocedures. Met de hiervoor genoemde bepaling in de Comptabiliteitswet is in zo’n uitgestelde begrotingsprocedure voorzien.
Internetconsultatie en uitvoeringstoetsen
Conform de Kamernotitie Uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en doenvermogen burgers treft u hieronder een overzicht met link naar de internetconsultatie en uitvoeringstoetsen:
-
-geen internetconsultatie
-
-geen uitvoeringstoetsen
Daarbij zij aangetekend dat consultaties en toetsen bij begrotingen ook ongebruikelijk zijn.
Procedure
9.CLVI, AE
Voorstel digitaal quorum op niet-vergaderdagen
Beslispunt
Welke leden leveren heden inbreng voor het tweede verslag?
Toelichting
Op 24 februari 2026 is de nota naar aanleiding van het verslag ontvangen (CLVI, AE). Op 3 maart jl. heeft uw commissie besloten heden gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng voor het tweede verslag.
Achtergrond
Voorbereidend onderzoek voorstel Regeling in commissie BIZA
De wijze van totstandkoming van de Regeling wordt geregeld in artikel 140 RvO. Daarin staat dat de artikelen uit hoofdstuk XV van het RvO van overeenkomstige toepassing zijn op voorstellen tot vaststelling van de overige op grond van het RvO door de Kamer vast te stellen regelingen. De Kamer heeft op 2 december jl. op grond van artikel 133, lid 1 RvO en na bespreking in het College van fractievoorzitters de vaste commissie BIZA belast met het voorbereidend onderzoek van het voorstel.
Voor wat het voorbereidend onderzoek van het voorstel in de commissie betreft, geldt dat het voorstel op de gewone wijze, als is het een wetsvoorstel, wordt behandeld. Artikel 136, lid 1 RvO bepaalt immers dat het voorstel ‘op dezelfde wijze [wordt behandeld] als een wetsvoorstel dat aan de commissie is toevertrouwd, waarbij de voorsteller in de plaats treedt van de minister.’ Het CVO zal de vragen in het verslag/de verslagen schriftelijk beantwoorden met een nota naar aanleiding van het verslag.
Het voorbereidend onderzoek kent maximaal drie schriftelijke vraag- en antwoordenrondes (artikel 45 RvO) (artikel 46 RvO: met toestemming van de Kamer vier) en ook kan het commissie-instrumentarium worden benut (artikel 38 RvO). Anders dan bij wetsvoorstellen kunnen leden amendementen voorstellen (artikel 134 RvO) en kan CVO - waanneer bijvoorbeeld vragen/opmerkingen daartoe aanleiding geven - het voorstel wijzigen (artikel 135 RvO). Mocht een lid overwegen een amendement in te dienen, dan wordt aangeraden het concept voor indiening voor een wetstechnische toets voor te leggen aan dr. Sofie Wolf.
Motie-Vos c.s. uitgevoerd
Op 16 mei 2023 heeft de vorige Eerste Kamer de motie-Vos c.s. aanvaard (Kamerstukken I 2022/23, CLVI, M), waarin twee verzoeken aan de toenmalige Huishoudelijke Commissie (thans: College van Voorzitter en Ondervoorzitters) zijn gedaan, te weten:
-
-om een voorstel te doen om een digitaal quorum mogelijk te maken voor vergaderingen van de Eerste Kamer die bij uitzondering op een niet-reguliere vergaderdag worden gehouden en
-
-om bij het Presidium van de Tweede Kamer na te gaan of dit eveneens van mening is dat een dergelijk digitaal quorum past binnen de interpretatie van artikel 67, eerste lid van de Grondwet.
Wat het tweede punt betreft heeft schriftelijk overleg plaatsgevonden tussen het College en het Presidium van de Tweede Kamer. Het Presidium heeft bij brief van 9 oktober 2024 onder meer het volgende geschreven (Kamerstukken I 2023/24, CLVI, AB):
"De Raad van State heeft in haar voorlichting gesteld dat het bij een dynamische interpretatie van de Grondwet van wezenlijk belang is dat er sprake is van een hoge mate van consensus tussen de betrokken staatsorganen: Tweede Kamer, Eerste Kamer en regering. Het Presidium stelt vast dat de Tweede Kamer zich over een voorstel zoals bedoeld in de motie-Vos c.s., waarbij een digitaal quorum wordt voorgesteld voor niet-reguliere vergaderdagen, niet heeft uitgesproken. Het is aan de Tweede Kamer zelf om desgewenst een oordeel te geven over de grondwettigheid van voorstellen als deze. Het Presidium kan de Kamer hierin niet vertegenwoordigen."
Het Presidium heeft op 11 september 2025 wel een voorstel aan de Tweede Kamer voorgelegd voor het in buitengewone omstandigheden tijdelijk mogelijk maken van digitaal intekenen en digitaal vergaderen en stemmen (Kamerstukken II 2024/25, 36 808, nr. 2.). Dit voorstel ziet alleen op ernstige crisissituaties (pandemie, natuurramp, kernramp, aanslag). Behandeling van het voorstel laat nog op zich wachten.
Wat het eerste punt betreft heeft het College in zijn vergadering van 25 november jl. besloten een voorstel tot vaststelling van een Regeling digitaal quorum voor niet-reguliere vergaderdagen aan de Kamer voor te leggen. De regeling is daarop dezelfde dag aan de Kamer voorgesteld. In uw commissievergadering van 9 december 2025 hebt u besloten de motie-Vos c.s. als uitgevoerd te beschouwen.
Context
Met een digitaal quorum wordt gedoeld op de mogelijkheid voor leden om van buiten het Kamergebouw digitaal in te tekenen voor een vergadering van de Kamer, waarna zij als 'ter vergadering aanwezig' gelden als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de Grondwet. In de bijzondere omstandigheden van de coronacrisis, toen grote samenkomsten onwenselijk waren en reizen werd afgeraden, heeft de Eerste Kamer gedurende twee perioden gewerkt met een digitaal quorum. Dit digitale quorum was uitdrukkelijk als tijdelijk bedoeld. De Kamer had hierover ook Voorlichting gevraagd aan de Raad van State. De Tijdelijke regeling digitaal quorum is per 1 april 2022 komen te vervallen.
In haar verslag van 14 maart 2023 (Kamerstukken I 2022/23, CLVI, A) meldde de Tijdelijke Commissie Actualisering Reglement van Orde (CARO) dat binnen de commissie de meningen verschilden of een digitaal quorum buiten de bijzondere omstandigheden zoals die ten tijde van de coronacrisis golden mogelijk en wenselijk was.
De CARO volstond in haar voorstel voor een geactualiseerd Reglement van Orde met een grondslag voor een digitaal quorum in bijzondere omstandigheden zoals die zich ten tijde van de coronacrisis hadden voorgedaan. In dergelijke omstandigheden kan de Kamer bij afzonderlijke regeling bepalen dat leden die aan de vergadering wensen deel te nemen dit ook op digitale wijze kenbaar kunnen maken, zonder aanwezig te zijn in het Kamergebouw (artikel 52, tweede lid, Reglement van Orde). De Kamer heeft het door nota's van wijziging en enkele amendementen aangepaste voorstel van de CARO op 16 mei 2023 aanvaard, waarbij artikel 52, tweede lid, niet gewijzigd werd.
Bij de plenaire behandeling van het voorstel is niettemin het digitaal quorum weer uitgebreid ter sprake gekomen. De Kamer nam een motie-Vos c.s. aan, waarin werd uitgesproken "dat een dergelijk digitaal quorum past binnen de interpretatie van artikel 67, eerste lid van de Grondwet". De toenmalige Huishoudelijke Commissie (thans het College van Voorzitter en Ondervoorzitters) werd verzocht "een voorstel te doen om een digitaal quorum mogelijk te maken voor vergaderdagen van de Eerste Kamer die bij uitzondering op een niet-reguliere vergaderdag worden gehouden".
Inbreng voor het tweede verslag
10.29362 / 36600 B, AI en 29362 / 36600 B, AK
Verslag van een schriftelijk overleg met de minister van BZK over ROB-advies 'Meters maken met medebewind' en nieuw rijksbeleid op decentrale overheden; Brief van de minister van BZK met de kabinetsreactie op de ROB-adviezen “Afrekenen met disbalans” en “Meters maken met medebewind”; Modernisering van de overheid
Beslispunt
Welke leden leveren vandaag inbreng voor nader schriftelijk overleg?
Toelichting
Op 13 januari 2026 heeft de commissie besloten om de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) uit te nodigen voor een gesprek over (de kabinetsreactie op) de ROB-adviezen 'Meters maken met medebewind' en 'Afrekenen met disbalans', en vervolgens schriftelijk overleg te voeren met de regering. Het gesprek met een delegatie van de ROB heeft plaatsgevonden op 17 maart jl.
Heden wordt gelegenheid geboden voor het leveren van inbreng voor nader schriftelijk overleg met de regering naar aanleiding van:
-
1.de ROB-adviezen 'Afrekenen met disbalans' (maart 2025) en 'Meters maken met medebewind' (juli 2025);
-
2.de kabinetsreactie op beide adviezen van 9 januari 2025 (29.362/36.600, B, AK);
-
3.het verslag schriftelijk overleg inzake het ROB-advies (29.362/36.600, B, AI), betreffende de uitgaande brief van 15 oktober 2025 en de antwoordbrief van 2 december 2025, en het verslag schriftelijk overleg met het overzicht van beleidsvoornemens van het Rijk met financiële impact op taken van medeoverheden (36.600 B, K);
-
4.toezegging T04067 inzake toelichting op artikel 108, lid 3 van de Gemeentewet.
Inbreng voor nader schriftelijk overleg
11.36800 B / 36800 C / 36600 B, C
Verslag van een schriftelijk overleg met de minister van BZK over het integraal overzicht gemeenten en provincies en preventief toezicht gemeenten 2026; Begrotingsstaat gemeentefonds 2025
Beslispunt
Wenst de commissie in nader schriftelijk overleg te treden naar aanleiding van de brief van 24 maart 2026 (36.800 B / 36.800 C / 36.600 B, C), of wenst zij deze voor kennisgeving aan te nemen?
Toelichting
-
-Naar aanleiding van een vraag van het lid Janssen (SP) tijdens de plenaire behandeling van de begrotingsstaat van het Gemeentefonds op 8 april 2025, heeft de toenmalige minister van BZK bij de provinciale financiële toezichthouders geïnformeerd naar hun verwachtingen ten aanzien van het aantal gemeenten dat in 2026 onder preventief toezicht zal komen te staan. De minister heeft de Kamer hierover bij brief van 11 juni 2025 (36.600 B, M) geïnformeerd.
-
-Tijdens de commissievergadering van 8 juli 2025 heeft de commissie de regering verzocht haar na het zomerreces per brief te informeren over eventuele wijzigingen in deze verwachtingen. De minister heeft hieraan invulling gegeven bij brief van 22 september 2025 (36.600 B, P). Naar aanleiding van deze brief heeft de commissie op 7 oktober 2025 besloten het Integraal Overzicht Financiële Gemeenten en Provincies af te wachten, dat op 2 december 2025 is ontvangen (36.800 B/36.800 C, B).
-
-Op 10 februari 2026 hebben de leden van de fracties van de BBB en de PVV inbreng geleverd voor schriftelijk overleg. De inbreng is bij brief van 17 februari 2026 aan de minister van BZK toegezonden en had betrekking op de volgende stukken:
-
1.de brief van 11 juni (36.600 B, M);
-
2.de brief van 22 september 2025 (36.600 B, P);
-
3.het Integraal Overzicht Financiële Gemeenten en Provincies (36.800 B/36.800 C, B).
-
-
-De minister van BZK heeft, mede namens de staatssecretaris van Financiën, bij brief van 24 maart 2026 geantwoord. Het verslag schriftelijk overleg (36.800 B / 36.800 C / 36.600 B, C) ligt heden ter bespreking voor.
Bespreking verslag schriftelijk overleg
12.36800 B, D
Verslag van een schriftelijk overleg met de minister van BZK over de nahang van het Besluit financiële verhouding 2001 in verband met wijzigingen van de maatstaven van de algemene uitkering van het gemeentefonds; Begrotingsstaat gemeentefonds 2026
Beslispunt
Zijn de vragen afdoende beantwoord?
Toelichting
Het lid Van Hattem (PVV) heeft over het nagehangen Besluit tot wijziging van het Besluit financiële verhouding 2001 in verband met wijzigingen van de maatstaven van de algemene uitkering van het gemeentefonds (Stb. 2025, 244) vragen gesteld bij brief van 27 januari 2026. Deze zijn op 26 maart 2026 door de minister van BZK, mede namens de staatssecretaris van Financiën, beantwoord. Het verslag schriftelijk overleg (36.800 B, D) ligt vandaag ter bespreking voor.
Nota Bene
Artikel 8, vierde lid Financiële-verhoudingswet waarop de nahang was gebaseeed, luidt: 'Een krachtens het derde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.'. De termijn van acht weken is verstreken op 17 november 2025. Op 16 december 2025 is de vastgestelde AMvB in het Staatsblad geplaatst.
Bespreking verslag van een schriftelijk overleg
13.36887, A
EU-voorstel: wijziging van de Akte betreffende de verkiezingen van de leden van het Europees Parlement tot het in staat stellen van EP-leden tijdens zwangerschap of na bevalling bij volmacht laten stemmen tijdens plenaire vergaderingen
Beslispunt
Welke leden leveren vandaag inbreng voor nader schriftelijk overleg met de regering?
Toelichting
Naar aanleiding van de voorgenomen wijziging van de Kiesakte wensten de leden van de fractie van de BBB (Van Langen-Visbeek) met de minister van BZK in schriftelijk overleg te treden. De brief die op 3 februari 2026 is verzonden, is op 6 maart 2026 door de minister van BZK beantwoord (36.887, A). De commissie besloot op 17 maart om vandaag gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng voor nader schriftelijk overleg.
Nota bene
Op 16 januari 2026 ontving de Kamer de kabinetsappreciatie ten aanzien van de voorgenomen wijziging van de Europese Kiesakte. Tijdens de Raad Algemene Zaken van 17 maart jl is ingestemd met het voorstel. De definitieve Raadstekst ligt nu in het Europees Parlement onder een goedkeuringsprocedure. Zodra de tekst is goedgekeurd door het Europees Parlement dienen de lidstaten deze wijziging individueel te ratificeren. In Nederland zal de wijziging van de Europese Kiesakte conform de procedure gegeven in de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen worden geratificeerd.
Inbreng voor nader schriftelijk overleg
14.Mededelingen en informatie
Kennismakingsgesprek met minister van BZK
Het kennismakingsgesprek met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, dhr. Heerma, is gepland op dinsdag 14 april 2026 van 18.15 - 19.15 uur.
NB: vanuit het ministerie werd ambtelijk de vraag gesteld of u vanuit de commissie nog specifieke onderwerpen aan de orde wenst te stellen.
Aanbieding vier rapporten Staatscommissie tegen discriminatie en racisme (zie ook de lijst ingekomen brieven)
De minister van BZK heeft vier recente publicaties van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme aan de Kamer aangeboden, over onder meer gestapelde discriminatie-ervaringen, een wettelijke gelijkheidsplicht voor de publieke sector, een toekomstvisie op het non-discriminatierecht en de verspreiding van discriminerende uitingen in de Tweede Kamer, landelijke kranten en sociale media. De kabinetsreactie op deze rapporten volgt bij het eindrapport van de Staatscommissie, dat naar verwachting in juni 2026 verschijnt.
Tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing (TK) en symposium 11 mei 2026
De tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing van de Tweede Kamer informeert de Eerste Kamer per brief over haar rol en werkwijze. De commissie heeft primair een adviserende taak bij de beoordeling van grondrechtelijke en constitutionele aspecten van wetgeving en kan daartoe zowel op verzoek als op eigen initiatief adviezen uitbrengen. Daarnaast attendeert de tijdelijke commissie de leden op het symposium Constitutioneel Café – de parlementaire weging van grondrechten , dat plaatsvindt op maandag 11 mei 2026 van 14.30 tot 16.00 uur. Voor dit symposium zijn de leden van beide Kamers uitgenodigd. Een nadere uitnodiging met programma treft u aan in mail met de 'Mededelingen van de Griffier' van 27 maart 2026.
Speciaal verslag van de Europese Rekenkamer over de adviesorganen van de EU
De Europese Rekenkamer heeft speciaal verslag 12/2026 gepubliceerd over de adviesorganen van de EU. Volgens de auditors hebben het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s regelmatig moeite om hun adviezen tijdig uit te brengen om nog invloed te hebben op de EU-besluitvorming. Daarnaast wordt de doorwerking van adviezen in de uiteindelijke wetgeving niet systematisch beoordeeld en ontbreken transparante criteria voor de selectie van deskundigen. Het speciaal verslag is, evenals de reacties van het Europees Comité van de Regio’s en het Europees Economisch en Sociaal Comité, ter informatie toegevoegd en tevens onder de aandacht gebracht van de commissie EUZA, waar de behandeling primair is belegd.
