Plenair Dittrich bij behandeling Nieuw Wetboek van Strafvordering



Verslag van de vergadering van 10 februari 2026 (2025/2026 nr. 17)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 21.51 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Dittrich i (D66):

Dank u wel, voorzitter. Allereerst dank aan de beide bewindslieden en de regeringscommissaris. In de schriftelijke voorbereiding hadden we al heel veel vragen gesteld, en nu ook weer. Daar zijn heel veel antwoorden op gekomen, vaak ook goede antwoorden. Ik heb onder andere genoteerd dat Significant onderzoek doet naar de financiële rechtsbijstand. Dat komt, dacht ik, het tweede kwartaal van 2026. Dat komt dan bij het komende wetsvoorstel weer ter sprake. Dat is mooi.

Er is een studie gedaan naar de afdwingbaarheid van slachtofferrechten. Die is in consultatie, dus dat wachten we dan even af.

Ik had een vraag over het spreekrecht. Het antwoord ging met name over minderjarigen. Ik snap het antwoord, dus dat punt internaliseer ik. Ik laat het hierbij en dien geen motie in op dat punt.

Met betrekking tot het appelrecht heb ik begrepen dat de rechter goed gaat kijken of een verdachte snapt wat er allemaal aan de hand is en of een rechter ook actie kan ondernemen. Dat is ook heel goed.

Het antwoord dat gaat over de herziening op basis van ernstige vermoedens dat iets niet klopt zonder dat er een nieuw gegeven is, laat ik nog verder op me inwerken. Dat zal ik misschien ook met professor Knoops nog eens bespreken.

We hebben het gehad over de relevante stukken die na de procesinleiding ter beschikking moeten worden gesteld. Ook daar heb ik genoteerd dat de staatssecretaris in zijn tweede termijn daarop terugkomt. Dat antwoord wacht ik nog even af.

Dan was er het punt van de rechter-commissaris en de rechter en of het in de rede ligt om dat bij de evaluatie na vijf jaar mee te nemen. De heer Recourt heeft daar nog op geïnterrumpeerd. Ik heb uiteindelijk opgeschreven: ja, het wordt meegenomen. Ook dat is een mooi punt.

Dan is er één echt punt dat ik nog wil noemen. Dat gaat over de externe toetsingscommissie bij sommige beslissingen van het Openbaar Ministerie. De minister gaf bij de beantwoording allerlei redenen op waarom hij niet voelt voor zo'n onafhankelijke externe toetsingscommissie. De redenen die de minister gaf, gaan allemaal over zaken als "klachtgericht" en "intern". Mij gaat het juist over een frisse blik van buiten op misschien een paar beslissingen per jaar. Daarom heb ik een motie, die ik graag in wil dienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het Openbaar Ministerie onafhankelijk is in de besluitvorming welk onderzoek te verrichten in een concrete (straf)zaak;

overwegende dat er situaties zijn waarin het niet duidelijk is of een ongeval, zelfdoding of misdrijf heeft plaatsgevonden en dat het Openbaar Ministerie soms geen (technisch) onderzoek wil laten verrichten;

overwegende dat het WODC in 2018 in het rapport Toezicht op strafvorderlijk overheidsoptreden heeft vastgesteld dat in dit soort situaties onafhankelijk extern toezicht op de beslissingen van het Openbaar Ministerie ontbreekt, waardoor de belangen van slachtoffers en nabestaanden niet gewaarborgd kunnen worden;

spreekt als haar mening uit dat het wenselijk is dat in het geval van situaties waarbij iemand is overleden of ernstig gewond is geraakt, een onafhankelijke externe landelijke commissie onderzoeksbeslissingen van het Openbaar Ministerie kan toetsen wanneer die beslissingen van het Openbaar Ministerie door belanghebbenden op redelijke gronden worden betwist;

verzoekt de regering een onderzoek te doen naar de mogelijkheden van zo'n onafhankelijke externe toetsingscommissie, en de Eerste Kamer daarover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dittrich en Nicolaï.

Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. Daarmee maakt zij deel uit van de beraadslaging.

Zij krijgt letter L (36327, 36636).

De heer Dittrich (D66):

De motie is behalve door mij ondertekend door Van Meenen, Moonen, Kanis, Griffioen en Nicolaï.

Voorzitter. Als laatste wil ik het nog hebben over het buitenlandblokje. Daarover kan ik ook kort zijn. De minister heeft aangegeven dat men daar aandacht voor heeft. Wij horen juist van de ambassadeurs dat er toch wel wat tekortkomingen zijn. De minister gaf over de bilaterale relatie met landen in Afrika aan dat men dan inzet op relatievorming omdat dat zo belangrijk is. Dat is natuurlijk goed, maar het gaat erom dat men zegt dat de ministeries van Justitie en Veiligheid en Buitenlandse Zaken bilaterale verdragen eigenlijk helemaal niet zien zitten. Relationele dingen zijn natuurlijk goed, maar het gaat om de verdragen omdat dat is wat die landen graag willen. Dus daar wil ik in tweede termijn toch nog een antwoord van de minister op.

Daarmee besluit ik mijn tweede termijn. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Van Bijsterveld van JA21.