Plenair Talsma bij behandeling Nieuw Wetboek van Strafvordering



Verslag van de vergadering van 10 februari 2026 (2025/2026 nr. 17)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 15.39 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Talsma i (ChristenUnie):

Dank u zeer, mevrouw de voorzitter. Op donderdag 13 en vrijdag 14 januari 1921 beraadslaagden onze voorgangers over een nieuw Wetboek van Strafvordering. Een van de sprekers aan de zijde van de Kamer was SDAP-senator Maurits Mendels, wiens naam ik in het bijzonder noem omdat zijn betoog voor een rechtvaardig strafprocesrecht zo keihard contrasteert met zijn levenseinde als rechteloze in het concentratiekamp Theresienstadt, op 3 juni 1944, aan de vooravond van D-day. Oud-collega Mendels begon zijn bijdrage aan het debat met een felicitatie die ook vandaag niet misstaat, namelijk een felicitatie met het feit dat een zeer omvangrijk wetsontwerp als dit het stadium van de beraadslaging in de Eerste Kamer bereikt. Mendels zei, en ik citeer: "Dat is zeker een zeldzaamheid, want sedert tientallen van jaren hebben wij niet mogen beleven, dat een geheele codex werd omgewerkt, maar hebben wij ons steeds tevreden moeten stellen met partieele wijzigingen." Einde citaat.

Ruim een eeuw later sluit ik me graag bij Mendels aan. Het Wetboek van Strafvordering waar hij over debatteerde, trad op 1 januari 1926 in werking en heeft sindsdien talloze partiële wijzigingen ondergaan, maar uiteindelijk kon, zoals Mendels dat noemde, een omwerking van de gehele codex niet uitblijven. Een substantieel eerste deel daarvan ligt vandaag voor, en ik feliciteer namens mijn fractie graag de minister, het departement, en ook de regeringscommissaris en alle anderen die namens de verschillende schakels in de strafrechtketen of in andere hoedanigheden hebben meegewerkt aan de totstandkoming van deze wetsvoorstellen.

Het brengen van overzicht en consistentie in de ontstane wettelijke lappendeken, het aanpassen van de wetgeving aan de huidige stand van de nationale en internationale jurisprudentie, het bieden van een wettelijke grondslag voor de inzet van nieuwe technologieën, en het bevorderen van een vlotte procesgang: dat zijn wat mijn fractie betreft de kernelementen van deze wetsvoorstellen die maken dat wij er met een positieve grondhouding naar kijken. De voorbereiding van de wetsvoorstellen is zeer grondig geweest. Dat geldt ook voor de behandeling in de Tweede Kamer. Collega's zeiden het al.

Ik dank de minister voor de beantwoording van onze schriftelijke vragen. Ik dank daarmee telkens ook de staatssecretaris en regeringscommissaris, maar ik noem voor het gemak maar even de minister. Vandaag zal ik me hoofdzakelijk richten op enkele thema's die wat mijn fractie betreft nog wat extra opheldering behoeven, met name in het licht van uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Het bevorderen van een vlotte procesgang, waar ik het zojuist even over had, heet in het nieuwe strafvorderingsvocabulaire ook wel "de beweging naar voren". Laat heel helder zijn: mijn fractie steunt die wens. Strafzaken duren soms veel te lang, met alle gevolgen van dien. Het inhoudelijk zo veel mogelijk zittingsklaar maken van een zaak past in de Nederlandse strafvorderlijke traditie en is in overeenstemming met de vereisten van bijvoorbeeld het EVRM. Te veel nadruk op snelheid kan echter ten koste gaan van de grondigheid van onderzoek en leiden tot bewijsproblemen. Te veel nadruk op snelheid kan ook leiden tot afbakeningskeuzes die gevolgen kunnen hebben voor bepaalde slachtoffers of benadeelde partijen. De vraag is dan: op welke manier denkt de minister te voorkomen dat de beweging naar voren op dit punt uiteindelijk een stap achteruit blijkt te worden?

Datzelfde geldt met betrekking tot rechtsbijstand, met name voor verdachten die niet in voorlopige hechtenis zitten. Om te voorkomen dat zij op de inhoudelijke zitting voor voldongen feiten staan, is er behoefte aan tijdige rechtsbijstand. Op vragen daarover antwoordde de minister het volgende. Het is een omvangrijk citaat. Zet u schrap. "Tegen de achtergrond van de doelstelling van de beweging naar voren wordt onderzocht op welke wijze en in welke zaken het mogelijk zal worden gemaakt voor een verdachte voor wie niet in verband met de voorlopige hechtenis een raadsman is aangewezen, om op basis van een aanvraag gesubsidieerde rechtsbijstand een raadsman toegevoegd te krijgen, met als doel ook voorafgaand aan de vervolgingsbeslissing al verzoeken tot het doen van onderzoek bij de rechter-commissaris." Dat is een prachtige volzin, geen twijfel daarover, maar inhoudelijk is het wat mij betreft toch vooral een herformulering van de vraag in plaats van een begin van een antwoord. Daarom de vraag: kan de minister op dit punt alsnog klare wijn schenken?

Een ander complicerend aspect van de beweging naar voren is de extra druk op de rechter-commissarissen, de raadsheer-commissarissen en hun kabinetten. De minister ziet dit punt ook en gaat er in zijn beantwoording ook wel enigszins op in, maar voor de uitvoerbaarheid van deze wetsvoorstellen is meer nodig dan dat. De minister stelt: "Voor het daadwerkelijk bereiken van sommige van de genoemde doelstellingen, zoals de verkorting van doorlooptijden en de reductie van administratieve lasten, is wetswijziging alleen niet voldoende. Ook aanvullende maatregelen, flankerend beleid en bij de implementatie te maken keuzes zijn hiervoor van groot belang." Graag nodig ik de minister uit dat eens wat nader te concretiseren.

De voortvarendheid van het vooronderzoek hangt voor een groot deel samen met de versterkte regierol van de rechter, zowel de rechter-commissaris als de zittingsrechter. Over de druk op de rc's prak ik zojuist al even, maar het is mijn fractie ook nog niet goed duidelijk hoe de uitvoerbaarheid van die regierol zich verdraagt met het moment waarop voorzitter en zittingsrechters aan een zaak gekoppeld worden. Is het gevaar niet groot, zo vraag ik de minister, dat er van regievoering weinig terecht komt naarmate die koppeling van rechters en zaak later plaatsvindt? Graag een reactie op dit punt van de minister.

Een thema waarop de Nederlandse strafvordering regelmatig bekritiseerd wordt, is dat van de voorlopige hechtenis. De minister stelt dat deze kritiek op zichzelf genomen niet hoeft te leiden tot een wijziging van de wettelijke regeling, aangezien zij ziet op de toepassing ervan in de praktijk. Is de minister inderdaad van opvatting dat de kritiek alleen de uitvoering betreft en niet ook de wettelijke regeling zelf? Zo ja, waarom staan er dan toch een paar aanpassingen in de nieuwe wetgeving? Op welke wijze stimuleert de minister de verbetering van de uitvoering?

Een van de belangrijke punten van kritiek, waar het de toepassing van voorlopige hechtenis betreft, gaat over de motivering. In dat verband stelt de minister: "De waarborgen ten aanzien van de motivering van de voorlopige hechtenis, die het huidige wetboek al bevat, blijven in het nieuwe wetboek behouden." Nou, dat klinkt ronduit geruststellend, maar levert onder de streep dus geen wettelijke verbetering op. Kan de minister toelichten waarom hij die keuze maakt?

In de schriftelijke vraag is mijn fractie ingegaan op enkele van de door de Tweede Kamer aanvaarde amendementen. In de meeste gevallen heeft de minister daarop uitgebreid en goed, deels bevredigend, geantwoord, waarvoor nogmaals dank, zodat ik die punten vandaag niet opnieuw aan de orde stel. Wel leg ik graag nogmaals de vinger bij de gevolgen van het amendement op stuk nr. 35, van het Tweede Kamerlid Helder, dat de opsporingsambtenaar de mogelijkheid biedt om met toepassing van het bepaalde in artikel 1.3.15 van de verdere uitoefening van zijn bevoegdheid tot opsporing af te zien en de door een ander dan de opsporingsambtenaar aangehouden verdachte direct in vrijheid te stellen. Conform het artikel dat ik noemde, 1.3.15, zal de opsporingsambtenaar zijn beslissing moeten nemen "onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie en met inachtneming van de door het College van procureurs-generaal gegeven algemene aanwijzingen". Gevraagd naar wat die verantwoordelijkheid van de officier van justitie dan praktisch betekent, antwoordt de minister dat de opsporingsambtenaar zich bij het uitoefenen van die bevoegdheid moet houden aan de richtlijnen van het college. Nou, dat laatste staat niet ter discussie. Sterker nog, dat komt in de wet te staan. Maar dat is geen antwoord op de vraag. Daarom leg ik die vraag, wat de verantwoordelijkheid van de officier van justitie dan praktisch betekent, nogmaals aan de minister voor.

De spanning van de aanvaarde amendementen op de stukken nrs. 14, 15 en 16 van het Tweede Kamerlid Van Nispen, over de zogenoemde plicht tot tenuitvoerlegging, blijft wat mijn fractie betreft ook na de beantwoording van onze vragen een punt van aandacht. Op dat punt wil ik niet in herhaling vallen en daarom vraag ik de minister of de werking van de gecreëerde mogelijkheden om geheel of gedeeltelijk af te zien van tenuitvoerlegging wordt meegenomen in de reeds voorziene evaluatie van de wetsvoorstellen. Graag een heldere toezegging op dat punt.

Tot slot in deze termijn wijd ik graag enkele woorden aan de combinatie van inwerkingtreding en uitvoerbaarheid. Daarvoor keer ik nog één keer terug naar het debat op 14 januari 1921 in de Eerste Kamer over de totstandkoming over het huidige Wetboek van Strafvordering. Minister van Justitie Heemskerk zei in dat debat: "Niet zonder ingenomenheid heb ik van sommigen van de geachte sprekers vernomen dat zij zouden wenschen, dat, indien dit wetsontwerp tot wet mocht worden verheven, het spoedig werd ingevoerd. Niets zal mij aangenamer zijn." Desondanks duurde het vervolgens nog vijf jaar voordat de inwerkingtreding een feit was.

Om verschillende redenen, maar met name de gereedheid en de stabiele inzetbaarheid van de nodige ICT-systemen, is mijn fractie bezorgd over de haalbaarheid van de voorgenomen inwerkingtreding op 1 april 2029. Verschillende collega's spraken er al over. De deskundigenbijeenkomst heeft deze zorg bepaald niet weggenomen. Mijn fractie wacht met spanning op het door deze Kamer gevraagde advies van het Adviescollege ICT-toetsing. Daarop vooruitlopen heeft geen zin, maar wel hoort mijn fractie graag van de minister welke scenario's hij voor ogen heeft om een voortvarende en uitvoerbare inwerkingtreding te realiseren. Op z'n Heemskerks: niets zal mij aangenamer zijn. Met belangstelling zie ik uit naar de beantwoording.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Marquart Scholtz van de fractie van BBB.