Verslag van de vergadering van 10 februari 2026 (2025/2026 nr. 17)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 14.12 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Recourt i (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil de bewindspersonen en de regeringscommissaris van harte welkom heten. Als ik het goed heb, is dit in ieder geval voor de minister de eerste en de laatste keer, maar dan wel met een fantastisch stuk wetgeving. Dat moet toch voldoening geven, hoop ik. Het zijn twee wetten die eindelijk hier in de Eerste Kamer worden besproken, waarmee de basis van dat enorme traject van opstellen en behandelen van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering tot een eind komt.
De hoofddoelstelling van deze wetten is de volgende. Ik citeer: "Met de modernisering van het Wetboek van Strafvordering wordt beoogd een toekomstbestendig, voor burgers en professionals toegankelijk en in de praktijk werkbaar werkboek te realiseren dat voorziet in een evenwichtig stelsel van rechtswaarborgen en een effectieve en zorgvuldige strafrechtspleging mogelijk maakt." Daar kan niemand tegen zijn. Maar wordt die doelstelling ook gehaald? Dat is natuurlijk de vraag. Het is volledig politiek neutraal geformuleerd, ook dat nog eens, maar onderliggend zijn er wel degelijk een paar politieke keuzes gemaakt. Zijn deze belangen goed afgewogen? Zijn de belangen goed verdeeld, bijvoorbeeld als het gaat om de bescherming van verdachten tegen de macht van de overheid of het belang van het slachtoffer bij een volwaardige plaats in het strafrecht? Mijn fractie zal hierover vragen stellen.
Een tweede element waar we vragen over gaan stellen, betreft de praktische werkwijze. De praktijk is erbij gebaat dat in de parlementaire behandeling al zo veel mogelijk duidelijkheid wordt gegeven over bijvoorbeeld de praktische uitwerking van de verdeling van bevoegdheden tussen regierechter en rechter-commissaris.
Een derde element waar wij vragen over gaan stellen betreft de uitvoerbaarheid. Wij hebben zorgen, best wel grote zorgen, over met name de digitale kant van de in- en uitvoering van dit enorme stuk wetgeving.
Voorzitter. Het huidige Wetboek van Strafvordering is een boek — "voer" heb ik hier geschreven — voor specialisten geworden. Het is alleen met veel kennis te doorgronden en het is niet geschikt voor verdere digitalisering of het is in ieder geval moeilijk geschikt hiervoor, want het is niet systematisch en niet inzichtelijk. Het is terecht dat volgens mij al in 2008 besloten is om dat te gaan herzien, al hoorde ik van collega Van Toorenburg dat het nog veel eerder begonnen is. Dat is een enorme klus. Daarmee geef ik veel complimenten voor de inzet, maar ook de kwaliteit van het nieuwe boek. In het bijzonder uit ik mijn waardering voor de vroegtijdige en langdurige inzet van deskundigen buiten de politiek-bestuurlijke koker. Dat is door het ministerie gedaan, maar ook door beide Kamers. Dat heeft de wet beter en gedragen gemaakt.
Wij hebben er als Eerste Kamer ook al een aanzienlijk voorbereidingstraject op zitten. Naast meerdere deskundigenbijeenkomsten zijn er veel schriftelijke vragen gesteld. Daarom resteert vandaag nog de behandeling op met name hoofdlijnen. Ik kan nu al zeggen dat mijn fractie de noodzaak tot herziening van het Wetboek van Strafvordering onderschrijft en de wetten die vandaag voorliggen op hoofdlijnen goede wetten vindt.
Ik loop zelf al een groot deel van dit proces als politicus mee. Ik was ook al lid van de voorbereidingscommissie in de Tweede Kamer. In die periode heb ik wel gezien dat waar er in het begin vooral grote verwachtingen bestonden over de versnelling van het strafproces, deze subdoelstelling toch steeds meer uit het zicht is geraakt. Versnellen gaat — dan neem ik maar vast een voorzichtige conclusie voor mijn eigen rekening — vermoedelijk niet echt lukken. Ik vind dat ook niet zo heel erg. Het Nederlandse strafproces is al een van de meest efficiënte van Europa, omdat het onmiddellijkheidsbeginsel hier niet wordt toegepast. Het gevolg is dat het Nederlandse strafproces hoofdzakelijk een papieren proces is dat grotendeels plaatsheeft buiten het onderzoek ter terechtzitting. Daarmee vindt het voor een groot deel ook buiten de openbaarheid plaats en is men afhankelijk van goede rechtshulp vroeg in het proces. Die zichtbaarheid en die rechtshulp zijn beide elementen waar niet zo veel aandacht voor is in deze wetsbehandeling. Dat is wel bijzonder, want voor bijna alles is aandacht geweest. We hebben het enorme pak papier allemaal gezien, of misschien is het relevanter om te spreken over een "enorme bak data". Ik kom daar later op terug.
Vervolgens is de vraag of er ambities gemist zijn. Wat mijn fractie betreft is dat mogelijk het geval op het terrein van de voorlopige hechtenis. Nederland is koploper in Europa als het gaat om het vastzetten van mensen van wie nog niet vaststaat dat zij een strafbaar feit hebben begaan. Dat is een groot probleem, al helemaal bij minderjarigen. De regering heeft niet gekozen voor een fundamentele wijziging. Er zijn gelukkig wel een paar maatregelen gekozen die kunnen helpen om dit terug te dringen. Ik noem het aanscherpen van de motiveringseisen, met het amendement op stuk nr. 41, de explicitering van het vereiste van strikte noodzakelijkheid — daar is ook een artikelnummer bij opgenomen, maar dat laat ik even voor wat het is — en de versterking van de alternatieven voor voorlopige hechtenis, onder meer door een verplichte toets op schorsing. De toepassing van deze wijzigingen zal worden gevolgd via de invoeringstoets en latere wetsevaluaties. Maar het is de vraag of deze maatregelen de huidige cultuur zullen doorbreken. Die cultuur is er toch vooral een van mensen preventief vastzetten. De vraag aan de minister is of hij duidelijk wil uitspreken dat het terugdringen van voorlopige hechtenis doel van wetgeving en beleid van deze regering is. Heeft de regering tot doel om actief, ook met buitenwettelijke programma's, in lijn te komen met uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens om de voorlopige hechtenis terug te dringen? Wat is de stand van zaken wat betreft de ontwikkeling van de alternatieven voor voorlopige hechtenis?
Voorzitter. Er zijn nog twee elementen waarvan de regering nu al zegt dat de wetten die voorliggen onvoldoende waarborgen bieden. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft een lange, lange brief geschreven waarin op een aantal tekortkomingen wordt gewezen. Die betreffen met name de privacybescherming bij digitale gegevensdragers en de notificatieplicht bij niet-verdachten. Ik snap dat er bij een dergelijk groot wetgevingstraject gewerkt moet worden met herstelwetten, maar het blijft toch wel ongemakkelijk om voor wetten te stemmen waarvan nu al bekend is dat de rechtsbescherming tekortschiet. Daarom vraag ik graag nu al aandacht voor deze punten en een bevestiging van de minister dat de onderdelen zoals ik die net noemde, maar zoals die ook in de Tweede Kamer eigenlijk al zijn besproken door de ambtsvoorganger van deze minister, inderdaad zullen worden gerepareerd in een van de vervolgwetten die wij hier hopelijk binnenkort ook zullen behandelen.
Dan het appel- en bezwarenstelsel. Dat is echt een breuk met hoe het nu gaat. De regering zegt dat de rechter actief moet blijven, ook zonder bezwaren. In de praktijk zullen de planning en de zittingsduur juist worden gestuurd door de bezwaren die de appellant, meestal de verdediging, zal indienen. Zeker bij enkelvoudige behandeling is dit kwetsbaar, want er is tijdsdruk, er is minder tegenspraak en er zijn minder correctiemechanismen. Een volledige heroverweging is juist een van de uitgangspunten van het hoger beroep in het strafrecht. Het is juridisch mogelijk, maar met al die wijzigingen is het niet meer vanzelfsprekend. Hoe wordt voorkomen dat efficiency hier de boventoon gaat voeren? Kan de minister nog eens toezeggen dat een integrale heroverweging, los van de mogelijke bezwaren, mogelijk blijft voor de appelrechter?
Dan de beweging naar voren. Er is al heel veel geschreven over de versnelling van het strafproces, maar zoals ik al heb gezegd, is het maar de vraag of die gaat lukken. De pro-formazitting wordt afgeschaft. Dat lijkt winst, maar ook bij de raadkamerzitting zal de stand van het onderzoek aan de orde komen en zullen ernstige bezwaren moeten worden gewogen in het licht van de voortgang van het onderzoek. Kan de minister toelichten waarom hij denkt dat dit minder tijd gaat kosten? Waar ik "minister" zeg, bedoel ik trouwens ook de staatssecretaris; dat zeg ik er maar bij.
De pro-formazittingen stonden vast op een bepaalde tijd. Dat waren vaste momenten, na drie maanden, zeg ik uit mijn hoofd. De regiezittingen staan niet vast en dreigen daardoor snel naar achteren te schuiven. Kan de minister toelichten hoe voorkomen kan worden dat dit gebeurt? Bovendien is aanwezigheid op zo'n regiezitting niet verplicht. Is dat niet een mogelijkheid om te traineren? Waarom zou de verdediging belangrijke getuigen bij de rc willen laten horen als Europese jurisprudentie maakt dat het ondervragingsrecht ter zitting wordt verondersteld? Het is een knappe rechter-commissaris die dat gaat afwijzen. Is het trechtermodel dan geen kwestie van wensdenken? Tot slot hierover: kan de minister toelichten welke afspraken er zijn gemaakt voor de versterking van de bureaus rc? Duidelijk is namelijk dat de werklast van die bureaus met het nieuwe wetboek aanzienlijk zal worden verzwaard.
Voorzitter. Strafvordering gaat in essentie om de bescherming van burgers tegen de enorme macht van de overheid in het geval dat er een strafbaar feit is gepleegd. Daarbij is primair van belang dat deze burgers zo vroeg mogelijk in de procedure worden bijgestaan door een advocaat. Deze wetten maken dit belang nog groter, omdat gestimuleerd wordt dat verzoeken tot onderzoek zo vroeg mogelijk worden gedaan; ik had het net al over de beweging naar voren. Dit lijkt voor minderjarigen en mensen met een beperking goed geregeld te zijn als gevolg van de verplichte procesvertegenwoordiging, maar zou voor iedereen goed geregeld moeten zijn.
Dat is niet het geval, omdat het aantal sociaal advocaten jaar in, jaar uit achteruitholt. Plannen voor het versterken hiervan komen niet goed van de grond. Daarom vraag ik aan de minister ... Eigenlijk moet ik "zijn opvolger" zeggen, maar ik snap dat de minister daar toch weinig over kan zeggen. Het is eigenlijk een vraag aan het nieuwe kabinet, tenzij deze minister er al wat aan heeft gedaan. Maar goed, ik vraag de minister wat hij gaat doen om deze fundamentele voorwaarden te realiseren. Hoeveel geld is er door dit kabinet gereserveerd voor de versterking van de sociale advocatuur? Misschien weet de minister ook wel wat het volgende kabinet voornemens is om te doen. Kan de minister nog eens uitspreken dat de rechter een actieve rol heeft in het strafproces als hij of zij vermoedt dat de belangen van verdachten onvoldoende worden beschermd? Met het nieuwe bezwaarstelsel geldt deze verzwaarde zorgplicht van de rechter nog sterker in hoger beroep. Wat houdt dit precies in volgens de minister? Kan hij dit nog een keer toelichten?
Dan het slachtoffer. We hebben gelezen dat er zorgen bestaan over de uitholling van het spreekrecht van slachtoffers als het OM procesafspraken maakt met de verdachte of als zaken als gevolg van een OM-beschikking niet meer op zitting komen. Kan de minister aangeven hoe hij deze vrees beoordeelt? Worden de belangen van slachtoffers voldoende meegewogen in het geval een zaak niet meer op zitting komt, bijvoorbeeld met een schadevergoeding of met, niet in de laatste plaats, het dienstperspectief op het misdrijf? Geldt dat ook als die wel op zitting komt, maar bijvoorbeeld voor een minder zwaar delict? Zijn er alternatieven om de materiële en immateriële belangen van slachtoffers voor de relevante beslissers mee te laten wegen?
Dan kom ik bij het digitale stuk. Deze wetten moeten het mogelijk maken om de digitale ontwikkelingen bij te benen. Dit is evident: onze samenleving verandert in rap tempo, onder meer als gevolg van artificial intelligence. Het nieuwe Wetboek van Strafvordering bevat geen zelfstandige specifieke regeling voor het gebruik van AI. Het eventuele gebruik van AI in de strafrechtspleging wordt geacht te steunen op bestaande wettelijke kaders, zo heb ik gelezen. Is het wetboek hiermee niet bij voorbaat eigenlijk al achterhaald?
Het volgende betreft de AI-toepassingen door de opsporingsinstanties. De mogelijkheden om opsporingen en vervolging hiermee te verbeteren, moeten worden benut, maar wel binnen strakke normatieve kaders. Juist die kaders zijn eigen aan het strafrecht, vanwege de grote inbreuk op iemands grondrechten. Kan de minister garanderen dat de huidige normen voor AI voldoende bescherming bieden binnen de strafvorderlijke context? Zijn die voldoende kenbaar? Op welke wijze kunnen de verdediging en de rechter controleren dat gebruik is gemaakt van AI? Op welke wijze kunnen de verdediging en de rechter controleren welke algoritmen zijn gebruikt? Is er bij het gebruik van AI altijd sprake van een menselijke beoordeling? Is het met de kennis van nu en in het licht van de aard van de strafvordering niet verstandig om fundamentele normen voor het gebruik van AI in het strafproces ook op te nemen in het Wetboek van Strafvordering? Kan dit per voorziene wijzigingswet of is hier een apart wetsvoorstel voor nodig?
Dan het gebruik van AI in de samenleving. Het strafproces gaat bij uitstek over wat waar is en wat niet. Een nadeel van AI is de steeds verder toenemende mogelijkheid om de werkelijkheid na te bootsen op een wijze die niet of nauwelijks te onderscheiden is van de werkelijkheid. Op welke wijze is geregeld dat gegevens uit het strafproces die tot bewijs kunnen dienen, integer zijn en niet door AI nagebootst?
Meer praktisch, ik las dat de rechtspraak zich zorgen maakt over gegevensdragers die niet in een proces-verbaal zijn uitgewerkt, omdat het bekijken hiervan veel tijd zal kosten. Ik denk echter dat, los van de authenticiteit van deze gegevensdragers, de huidige stand van de techniek het al mogelijk maakt om direct en zonder tussenkomst van een mens processen-verbaal te maken van spraak of van samenvattingen op beeld. Op welke wijze zullen de geautomatiseerde vertalingen van spraak of beeld worden toegelaten in het strafproces? Kan de minister zijn licht hierover laten schijnen.
Meer in het algemeen zullen er nog veel meer voorziene en niet voorziene toepassingen van AI het strafproces binnenkomen. Daarom nogmaals de vraag, nu op het onderdeel dat niet de overheid zelf betreft, of normering in het Wetboek van Strafvordering zelf niet op zijn plaats is.
Dan de invoering in het kader van de digitalisering. Dat is, zoals ik al in het begin zei, ook een punt van grote zorg van mijn fractie. Naast alle bijscholing, rolwijzigingen, functieveranderingen en het verdwijnen van werkautomatisme, is toch vooral de digitalisering van de ketenpartners de grootste zorg. Ook hierover heeft de Eerste Kamer ketenpartners gehoord. Zij uitten zelf ook grote zorgen over dit traject: automatisering is niet op orde en er is onvoldoende geld om het tijdig op orde te krijgen, zowel voor de nieuwe systemen als voor de oude, die op hun laatste benen lopen en toch ingevolge het overgangsrecht nog vele jaren mee moeten. Er is geen plan B, niet per organisatie en ook niet ketenbreed. Klopt dat? In ieder geval was dit het verhaal zoals wij dat gehoord hebben.
Kan de minister aangeven op welke wijze de zorgen die ik net noemde zijn geadresseerd? Hoeveel extra geld is er voor politie, OM, rechtspraak en wellicht andere ketenpartners, zoals de reclassering, gereserveerd om de invoering per 2029 mogelijk te maken? Op welke wijze wordt invulling gegeven aan plan B als onverhoopt plan A niet lukt? Hoe groot is de kwetsbaarheid, in het bijzonder bij het Openbaar Ministerie?
Voorzitter. Wat mijn fractie betreft kan de wet alleen worden ingevoerd als er voldoende zekerheid is over het goed functioneren van die verschillende digitale systemen en hun samenwerking. KEI is nog niet vergeten. Ook de overeenkomst met de Omgevingswet ligt hier voor de hand. Daarom kondig ik alvast aan dat mijn fractie niet instemt met de invoering van de wet als oude en/of nieuwe systemen niet voor hun taak toegerust lijken te zijn.
Mijn fractie wil een strijd zoals die gevoerd is tussen de regering en dit huis bij de Omgevingswet, voorkomen. Daarom heb ik de volgende vragen over het proces. Kan de minister aangeven op welke momenten hij de Kamer gaat informeren over de voortgang van de digitale systemen? Op welke moment en op basis van welke criteria neemt de minister het besluit dat de wet per voorjaar 2029 kan worden ingevoerd? Zijn er dan voldoende toetsen uitgevoerd met het nieuwe systeem met alle ketenpartners en derden? Op welke wijze is dan getoetst dat stokoude systeem zoals COMPAS mee kunnen tot het einde van het overgangsrecht? Kan de minister toezeggen dat niet tot invoering wordt overgegaan voordat de invoeringswet door het parlement is aangenomen? Ik hoop dat dit allemaal met toezeggingen kan; anders heb ik nog een motie in mijn achterzak.
De heer Dittrich i (D66):
Ik heb een vraag hierover. De Eerste Kamer heeft over deze problematiek ook een adviesaanvraag gedaan bij de adviescommissie ICT. De verwachting is dat dat advies in de loop van 2026 naar de regering en de Eerste Kamer komt. Zou het een idee zijn daarop te wachten voordat we er allerlei verstrekkende gevolgen aan verbinden?
De heer Recourt (GroenLinks-PvdA):
Wij hebben dat niet voor niks gevraagd. Dat hebben wij gedaan omdat wij ons grote zorgen maken. De heer Dittrich en ik zitten samen in de voorbereidingsgroep; we kennen het proces. U heeft mij ook horen zeggen dat ik graag wil voorkomen dat we pas aan het einde worden geconfronteerd met een situatie die op dat moment heel moeilijk bij te sturen is. Het advies blijft dus reuze relevant. Dat zal mogelijk een deel van het traject blootleggen. Maar ik vind het een taak voor de regering om nú al goed inzichtelijk te maken hoeveel geld er nodig is, op welke balans dat te vinden is, daar in verschillende begrotingen inzicht in te geven, en het traject richting 2029, inclusief de tussenstop in 2026, in beeld te brengen.
De heer Dittrich (D66):
Betekent dit dat u het ermee eens zou zijn als de regering zou toezeggen het advies van de ICT-commissie over te nemen en verder uit te werken, zodat allerlei vreselijke dingen kunnen worden voorkomen?
De heer Recourt (GroenLinks-PvdA):
Daar ben ik het mee eens, met de aanvulling dat ik heb begrepen dat dat advies nog geen volledig inzicht geeft in de problematiek. Waar dat advies wél inzicht geeft, moet dat uiteraard worden gevolgd of zal er in belangrijke mate naar moeten worden geluisterd.
De heer Schalk i (SGP):
Ik zat niet in die voorbereidingscommissie, dus ik heb een beetje een achterstand. Maar als daar zo'n groot belang aan gehecht wordt, wat betekent dat dan voor het wetgevingsproces? Zegt de heer Recourt hiermee dat we dit eigenlijk on hold moeten zetten?
De heer Recourt (GroenLinks-PvdA):
Nee, dat heb ik niet beoogd. Vandaag gaat het over het invoeren van de twee invoeringswetten die vooral heel veel materiele procesnormen neerzetten. Die moeten worden vertaald naar de digitale systemen. Daar zit het probleem rond de financiering en uitvoering. Daarom verwijs ik naar de uiteindelijke invoeringswet. Bij de Omgevingswet hebben we die in dit huis gebruikt om de wet te stoppen totdat het goed geregeld was. Mijn betoog is: laten we alsjeblieft niet zo lang wachten, maar als het nodig is, stel ik voor dat wij ook bij deze wet stop zeggen als het niet goed geregeld is.
De heer Schalk (SGP):
In dat geval is het: wachten op de invoeringswet of de invoeringswet uitstellen?
De heer Recourt (GroenLinks-PvdA):
Precies, maar hopelijk is er dus van tevoren al duidelijkheid en worden de zorgen al weggenomen.
Voorzitter. Dan de digitale autonomie. Ik kom aan het eind van mijn tijd, maar gelukkig ook aan het eind van mijn tekst. Kan de minister zeggen in hoeverre onze rechtspraak wordt gezien als deel van de kritieke infrastructuur van onze samenleving? Op welke wijze wordt ervoor gezorgd dat deze structuur onafhankelijk van big tech, en in het verlengde daarvan van China en de Verenigde Staten, opereert? Kunnen we misdaad nog blijven aanpakken als we in conflict raken met de VS over Groenland, om het maar even heel praktisch te vertalen? De ketenpartners hebben met klem benadrukt dat zij de invoering en de uitvoering van deze wet aankunnen als zij duidelijkheid hebben over de invoeringsdatum en daarnaast niet met andere, grote wijzigingen worden belast. Om hieraan tegemoet te komen, is de digitale kant cruciaal. Wij hopen niet alleen dat de minister vandaag antwoorden kan geven op onze vragen, maar ook dat hij laat zien dat hij van de urgentie van dit probleem doordrongen is. Als dit niet tijdig wordt opgelost, zal het recht niet zijn loop kunnen hebben. Dat heeft naast veel leed ook een ontwrichtend effect op de hele samenleving.
Voorzitter, afrondend. Ik ben blij dat de overheid nog in staat is dit soort enorme projecten op te pakken en hopelijk tot een goed einde te brengen. Het strafrecht is een van de belangrijke regelende en normerende pijlers onder de samenleving. Vermoedelijk is dit het laatste grote wetgevingstraject waarbij AI niet een grote rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de wetten zelf. Gebruik van AI lijkt dan ook nog onderbelicht in dit wetstraject. Ook verder zijn er punten die de nodige zorg blijven vragen als de wet in werking is getreden, zoals privacybescherming en rechtsbijstand.
Er is uiteraard voorzien in een grondige evaluatie, met invoeringstoetsen door het WODC, maar zonder vooraf vastgelegde criteria. Kwetsbare verdachten — dan hebben we het over beperkt doenvermogen, lage digitale vaardigheden, geen rechtsbijstand — worden niet expliciet meegenomen in de evaluatie. Digitalisering wordt wel geëvalueerd, maar niet normatief. Risico's voor toegang tot het recht en ongelijkheid blijven onderbelicht. De effecten van het voorbehoudend appel op rechtsbescherming in hoger beroep worden niet afzonderlijk gemonitord. Veel wordt doorgeschoven naar het overleg met het WODC en we krijgen nu geen toetsingskader. Waarom is er op dit moment nog geen toetsingskader? Kan de minister toezeggen dat de kwetsbare verdachten, de normatieve kant van digitalisering en de rechtsbescherming in hoger beroep bij de voortgang en de evaluatie worden meegenomen?
Bij zo'n grote wet kan het niet anders dan dat er in deze plenaire behandeling gekozen moet worden welke punten worden bevraagd. Mijn fractie heeft deze prioriteiten gekozen in de wetenschap dat het geheel een degelijk stuk wetgeving is. Wij kijken dan ook uit naar de beantwoording van onze vragen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Dittrich van de fractie van D66.