Verslag van de vergadering van 15 december 2025 (2025/2026 nr. 12)
Status: gecorrigeerd
Aanvang: 20.36 uur
De heer Hartog i (Volt):
Voorzitter. De Volt-fractie wil allereerst de staatssecretaris en zijn team dankzeggen voor de snelle beantwoording van de vragen. De antwoorden hebben verduidelijking gebracht op een aantal belangrijke punten. Bij de behandeling van vandaag wenst mijn fractie nader in te gaan op een drietal punten. Allereerst wil mijn fractie iets zeggen over iets wat niet in het pakket zit: een routekaart voor de herziening van ons verouderde belasting- en toeslagenstelsel. Vervolgens heeft mijn fractie een aantal vragen over de minimumbelasting. Ik zal mijn bijdrage in eerste termijn afsluiten met de vliegbelasting.
Voor wat betreft de herziening van het belasting- en toeslagenstelsel wil mijn fractie allereerst stilstaan bij waar we nu zijn aangekomen. Gedurende de laatste twee jaar heeft mijn fractie steeds aangedrongen op een urgente herziening van het stelsel. Het stelsel is te gecompliceerd, het leidt tot ongerechtigheden en het verkwist miljarden euro's. Met dat laatste doel ik met name op de weigering van deze en vorige regeringen om de ondoelmatige en ondoeltreffende fiscale regelingen af te schaffen. We blijven ieder jaar op zijn minst zo'n 30 miljard over de reling kieperen. Er is grote consensus om het belasting- en toeslagenstelsel fundamenteel anders aan te pakken, maar niemand doet iets. Dit culmineerde recentelijk in de motie van Van Rooijen om een externe commissie in het leven te roepen. Mijn fractie begrijpt deze motie heel goed, omdat de staatssecretaris tijdens het debat duidelijk aangaf niet van plan te zijn om nu nog verdere stappen te zetten in het denk- en voorbereidingsproces. Dat is jammer. Ook een demissionaire regering mag doorgaan met het ambtelijk voorbereiden van opties en daarover ook nu al in consultatie gaan. Mijn fractie heeft tegen deze motie gestemd vanwege het gevaar dat een externe commissie nóg meer vertraging in de herziening oplevert. De vragen van mijn fractie aan de staatssecretaris zijn daarom de volgende. Welke stappen heeft hij gezet in het instellen van een externe commissie die de herziening van het belasting- en toeslagenstelsel gaat bekijken? Wat is de tijdlijn? Welke overige acties is hij van plan te ondernemen om via consultatie naar een aantal duidelijke opties toe te werken?
Ik kom nu op mijn tweede punt, maar ...
De voorzitter:
Laat u zich vooral niet afleiden, meneer Hartog. Maar goed, de heer Kroon heeft een interruptie.
De heer Kroon i (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Ik ben even in verwarring, want u heeft tegen die motie gestemd, maar uw vragen doen mij vermoeden dat u toch wel voor zo'n commissie bent. Klopt mijn verwarring?
De heer Hartog (Volt):
Aan die verwarring kan ik niks doen, maar ik ben blij dat u mij de gelegenheid geeft om het iets te verduidelijken. Het probleem met de motie is dat ik bang ben voor vertraging. Mijn vraag aan de staatssecretaris is nu: hoe voorkomt hij die vertraging waar ik bang voor ben?
De heer Kroon (BBB):
Ik stel dus vast dat u eigenlijk voor die commissie bent en alleen zorgen heeft over vertraging. Dat is fijn om vast te stellen; dank u wel.
De heer Hartog (Volt):
Ja, u stelt dat vast, maar ik ben niet voor een commissie.
De heer Van Rooijen i (50PLUS):
Alleen maar een toevoeging, en daarmee indirect een vraag. Herinnert u zich nog dat ik ook zei dat die commissie heel snel tot stand moest komen, en dat dat kan met drie man met een helikoptervisie die na drie maanden met een rapport komen over de hoofdlijnen, zoals de staatssecretaris ook zei, met een integrale visie die dan verder door de ambtenaren met de nieuwe bewindsman kan worden uitgewerkt? Daar kunt u dan toch mee instemmen, als het snel gaat? Dat was de strekking.
De heer Hartog (Volt):
Staatssecretaris Van Rij zei twee jaar geleden dat hij mijn urgentie deelde. Er is nog niks gebeurd. Dat is mijn antwoord.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Nu is er een motie, toen niet.
De heer Hartog (Volt):
Ja, maar ik ga niet speculeren over of dat snel gaat of niet. Ik denk dat dat niet snel gaat en daarom wil ik van de staatssecretaris zijn tijdlijn weten.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
De heer Hartog (Volt):
Dan wil mijn fractie als tweede punt de minimumbelasting op de winst van internationaal opererende bedrijven aan de orde stellen. Dit is een uitvoering van een EU-richtlijn die op haar beurt weer is gebaseerd op administratieve richtsnoeren vanuit de OESO. Het idee erachter is dat internationaal opererende bedrijven niet volledig winstbelasting kunnen ontlopen. Dat werkt natuurlijk alleen maar als alle landen ter wereld, en met name de grote economieën, deze regels ook daadwerkelijk uitvoeren. De voorgestelde wetswijzigingen zijn technisch van aard en leveren wat betreft de Volt-fractie geen problemen op. Wel moeten deze wijzigingen gezien worden in de bredere context van de internationale uitvoering van de OESO-richtsnoeren. Daarbij doelt mijn fractie met name op het unilaterale besluit van de VSA om zich van het gesloten akkoord niets meer aan te trekken. Dit zou te rechtvaardigen zijn omdat ze zelf al een minimumbelasting hebben. In dezelfde tweede nota naar aanleiding van het verslag stelt de staatssecretaris dat over een stelsel dat equivalenten erkent aan het einde van dit jaar een besluit zal worden genomen. In Het Financieele Dagblad leest mijn fractie echter dat de Amerikaanse regering al een uitzondering heeft bedongen. Wat is de situatie nu echt, vraagt mijn fractie aan de staatssecretaris. Moet hierover consensus of unanimiteit zijn bij de landen die het akkoord oorspronkelijk hebben gesloten? Waarom zou Nederland hiermee instemmen? Mijn fractie is bang dat we ons opnieuw de les laten lezen door een bully. Mijn fractie ziet niet goed welk belang Nederland heeft bij deze herziening. Wil de staatssecretaris dit nog eens duidelijk uitleggen?
Als laatste heeft mijn fractie nog een aantal opmerkingen en vragen over de vliegbelasting. Allereerst is het goed dat de staatssecretaris een uitzondering maakt voor alle Caribische onderdelen van ons Koninkrijk. Elke regio telt. Dat geldt zeker vandaag, op Koninkrijksdag. Bij de overzeese delen van andere lidstaten van de EU wordt ook goed gekeken of zij wel of niet tot de Europese Unie behoren. Dat is zeer te prijzen. Mijn fractie vindt het echter wetstechnisch wel rommelig. Daarom heeft mijn fractie een aantal vragen. Ik vermoed dat het antwoord op een aantal van die vragen voor de hand liggend zal zijn, maar ik denk dat het toch goed is om ze hier te stellen. Bij de indeling van de landen is effectief gekeken naar de afstand van Amsterdam tot de hoofdstad van het betreffende land. Heeft mijn fractie dit juist begrepen, vraag ik de staatssecretaris. Als dat zo is, waarom moeten Bonaire, Saba en Sint-Eustatius dan apart worden vermeld? Volgens de logica van de wet is de vliegafstand nul kilometer, net zoals de afstand tussen Amsterdam en Groningen of Eindhoven.
Datzelfde geldt wat mijn fractie betreft voor de ultraperifere gebieden van Frankrijk, Spanje en Portugal. Deze gebieden staan op volledig gelijke voet met andere delen van deze landen. Het is dus niet duidelijk waarom de ultraperifere gebieden wel worden vermeld en bijvoorbeeld de eilanden Corsica en Sardinië niet. Kan de staatssecretaris dit uitleggen?
De specifieke vermelding van landen en gebieden overzee is wel terecht. Deze zijn immers geen onderdeel van het grondgebied van de EU. Daarbij is dan weer niet duidelijk waarom Gibraltar, Akrotiri en Dhekelia in categorie A zijn opgenomen. Dit zijn onafhankelijke delen van een land dat geen EU-lidstaat is. Waarom zouden we Groenland dan niet hetzelfde behandelen als de Faeröer? Kan de staatssecretaris dit uitleggen?
Op de vraag van de Volt-fractie of er overleg is geweest met Frankrijk, Spanje en Portugal geeft de staatssecretaris aan dat dit niet het geval is geweest. De reden is dat belasting een nationale competentie is. Dat begrijpt mijn fractie. Echter, het zou toch goed zijn om hier binnen de EU over te overleggen. Vluchten naar Saint-Martin zullen anders worden belast dan vluchten naar Sint-Maarten. Dat geldt waarschijnlijk ook vanuit de Franse kant. Wat zijn de gevolgen hiervan voor de keuzes die passagiers maken? Hoe kijkt de Franse regering aan tegen dit verschil? Wil de staatssecretaris toezeggen hierover alsnog met de EU-partners in gesprek te gaan? Dit kan belangrijk zijn voor de Caribische delen van ons Koninkrijk.
Tot slot, voorzitter, wil ik mij aansluiten bij uw felicitaties van vandaag aan de nieuwe Nederlanders. Het is altijd fijn om weer nieuwe Nederlanders te mogen verwelkomen, dus daar wil ik mij bij aansluiten. Voor de rest wacht mijn fractie met plezier de antwoorden van de staatssecretaris af.
De voorzitter:
Dank u zeer, meneer Hartog. Er is een interruptie van de heer Kroon.
De heer Kroon (BBB):
Een korte vraag. Ik heb waardering voor de mate van detail en de accuratesse van deze bestudering van de vliegbelastingwet. Nu ken ik Volt ook als een partij die vooraan staat in de zorg om het milieu en het klimaat. Was het dan niet logischer geweest om voor twee derde van de vluchten die naar ons Caribische gebied gaan gewoon vliegbelasting te heffen, namelijk voor alle toeristen die daar een weekje gaan duiken, en om alleen een uitzondering te maken voor degenen die daar ingezetenen zijn?
De heer Hartog (Volt):
Wij kijken in deze Kamer naar de rechtmatigheid, handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid van de wetten. De voorliggende wet heeft als grondslag dat er inkomsten moeten worden gegenereerd, niet om een gedragswijziging te bewerkstelligen. Als wij binnenkort de staatssecretaris van Financiën mogen benoemen, zullen we waarschijnlijk binnen Volt andere overwegingen maken. Dat ligt nu in deze Kamer niet voor, dus daar heb ik geen oordeel over.
De heer Kroon (BBB):
Dus u kunt het voorstel dat ik zojuist deed, niet steunen?
De heer Hartog (Volt):
Er ligt geen voorstel voor. Wij kijken naar de voorstellen die de regering heeft gedaan voor de wetten die wij vandaag beoordelen.
De voorzitter:
Dank u zeer, meneer Hartog. Dan geef ik graag het woord aan de heer Baumgarten, namens de JA21-fractie.